Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

draad - (vezel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

draad zn. ‘vezel’
Wellicht al onl.: tr(ēth)ilon (datief mv.) ‘met franje, met krullen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. draden (mv.) ‘draden’ [1236; CG I, 23].
Afleiding uit de wortel van het werkwoord → draaien, met een Proto-Germaans achtervoegsel -du-, met grammatische wisseling uit ouder -þu- < pie. *-tu- (gebruikt voor werkwoordafleidingen, bijv. ook → vloed uit → vloeien).
Os. þrād, ohd. drāt (nhd. Draht ‘metaaldraad’), ofri. þrēd (nfri. tried), oe. þrǣd (ne. thread), on. þráðr (nzw. tråd); < pgm. *þrēdu- ‘iets dat gedraaid is’.
Lit.: Grauwe 1979/82, par. 204

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

draad* [garen, vezel] {draet 1236} oudsaksisch thrād, oudhoogduits drāt, oudfries thrēd, oudengels ðræd, oudnoors þrāðr; eig. iets dat gedraaid is, afgeleid van draaien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

draad znw. m., mnl. draet, os. thrād, ohd. drāt, ofri. thrēd, oe. ðræd (ne. thread), on. þrāðr uit germ. *þreðu- is een tu-afl. van het ww. draaien. Het woord bet. ‘iets dat gedraaid of gewonden is’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

draad znw., mnl. draet (d) m., ohd. drât (nhd. draht), os. thrâd, ofri. thrêd, ags. ðræ̂d (eng. thread), on. þrâðr m. “draad”, germ. *þrêðu- “iets gedraaids, gewondens” van de basis germ. þrê-, een van de ablautsvormen van idg. terê-, terâ- “draaien, boren, door of over iets heen gaan” (zie door). Hierbij o.a. ier. tarathar “boor”, lat. tero “ik wrijf”, terebra “boor”, gr. teírō “ik wrijf”, téretron “boor”, titráō, tetraivō “ik wrijf stuk, doorboor”, trẽma “gat”, obg. tĭrą, trěti “wrijven”, lit. trinù, trínti “id.”. Vgl. ook darm, dra en dreigen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

draad m., Mnl. draet, Os, thrâd + Ohd. drât (Mhd. id., Nhd. draht), Ags. đrǽd (Eng. thread), Ofri. thréd, On. þráđr (Zw. trăd, De. traad), afgel. van den stam van draaien (cf. naad, zaad). Aan een draad hangen zinspeelt op het zwaard van Damocles.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

draod (zn.) draad; Vreugmiddelnederlands drade <1236>.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Draad, snw. Segsw.: Kort van draad wees, kortgebonde wees, gou kwaad word. In Ndl.: Kort van stof zijn. – Die verklaring van Malherbe 162 van die Afr. spreekwyse aan die hand gee, lyk my baie onwaarskynlik. Veel eerder sal die verklaring dieselfde wees as vir die Ndl. kort van stof. Bowendien reeds by Joos 366: “Kort van stof of van draad zijn, licht gramstorig.” Vgl. nog Harreb. I, XXXVII: “Hij is lang van draad (Dit staat tegenover kort van stof zijn)”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

draad (rode --) (Duits roter Faden)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

draad ‘garen, vezel’ -> Fries in oar draadsje ‘iets heel anders (lett.: een ander draadje)’; Ests traat ‘garen, vezel’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch † drat ‘ineengedraaide of gevlochten vezels hennep’; Indonesisch drat ‘schroefdraad’; Makassaars darấ ‘schroefdraad, schroefgang van een moer’; Menadonees drat ‘schroefdraad’; Papiaments drat, drachi ‘draad, draadje; schaamhaar’; Sranantongo drati, drât ‘garen, vezel, ijzerdraad’; Surinaams-Javaans drat ‘schroefdraad’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

draad* garen, vezel 1236 [CG I1, 23]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

480. Alle dagen een draadje is een hemdsmouw in het jaar,

d.w.z. door gestadigen arbeid kan men ten slotte veel verrichten. In de middeleeuwen: een draeyken sdaechs is een hemdemauken sjaersMnl. Wdb. II, 374.; zie verder Bank. I, 152; Tuinman I, 126. Vgl. ook Wander I, 913: alle Tage ein Faden macht des Jahrs ein Hemde; Harrebomée I, 112 a; De Cock1, 223; Ndl. Wdb. VI, 542 en Antw. Idiot. 372: Alle dagen 'en draadje gesponnen is alle jaren 'en hemdsmouw gewonnen. De Engelschman zegt: a pin a day is a groat a year.

476. Den draad kwijt zijn,

d.w.z. den samenhang, het verband kwijt zijn; niet meer weten, hoe men verder moet gaan. Men zou kunnen denken aan een weefsel, dat zoo fijn gesponnen is, dat men den draad niet kan volgen; vgl. Bank. I, 156: ‘De linckernyen van de weereld werden zoo fijn ghesponnen, dat de scherpste ooghe den draet verliest’. Daar een draad ook dient om een kleedingstuk samen te houden, kreeg dit woord bij overdracht de beteekenis van samenhang (van eene rede, een gesprek of eene redeneering); vandaar dat men ook spreekt van: den draad van het gesprek afbreken of weder opnemen, opvatten. Vgl. Sewel, 190: De draad eener rede, the context of a discourse or speech; vgl. ook Van Effen, Spect. V, 195: Den draad van zyn discours; III, 205: Dat hij den draad van zulke lage conversatiën afbreekt; IV, 46: Lezers bekwaam om den draad van een redeneering op te volgen; Harreb. I, 150 b; Ndl. Wdb. III, 3182; hd. den Faden, den Trumm verlieren en den Faden wieder aufnehmen oder anknüpfen; fr. perdre le fil de son discours; eng. to lose the clue (or the thread) of one's discourse; fri. de tried kwyt wêze; fen 'e tried wêzeAan het verhaal van Theseus en Ariadne behoeft men zeker niet te denken, daar Theseus volstrekt niet den draad kwijt was..

477. Op een draad.

Dat wil zeggen: zeer nauwkeurig, op een prik, op een haar; eig. tot op een draad, eene kleinigheid, in welken zin het znw. draad in de middeleeuwen voorkomt in de uitdr. niet een draet. In de 17de eeuw is op een draad zeer gewoon naast ten draad toe. Zie De Jager's Lat. Versch. 108-109; V. Moerk. 368; Archief III, 172 en 312; Erasmus II; Ndl. Wdb. XI, 305; III, 3179; De Bo, 261: op eenen draad; op den draad, juist, nauwkeurig, volstrekt wel; Waasch Idiot. 186 b: iemand op 'nen draad (of op een draadken) kennen; Teirl. 360: op 'nen draad (of op 'n draadse) kennen, zeer goed kennen.

478. Tegen den draad,

d.w.z. dwars, dwars in den zak (V. Dale); dial. tegen 't heil in, tegen de vleug (vgl. Ndl. Wdb. V, 452). Onder den draad verstaat men den draad van een weefsel, zoodat de uitdr. eigenlijk wil zeggen tegen den loop van het weefsel in, dus niet meegaande met den loop der draden. Bij overdracht wordt dit gezegd van iemand, die zich verzet, koppig, eigenzinnig, dwars is. Vgl. De Brune, Emblemata, 89: Menschen die alles tegen den draed en wolle nemen, die, daer zy geen vuyligheyd en vinden, stanck en vuyligheyd maken; Van Effen, Spectator IX, 93: ‘Ze (de meiden) doen alles, met opset, recht tegens den draad aan, en ze schynen voorgenomen te hebben ons (mevrouwen) de harssenen uit het hooft te haalen, en ons dol en razend te maken’; Sjof. 215: Als jongen al had-ie niet gewild, was altijd dwars tegen den draad in geweest.... twaalf ambachten en dertien ongelukken. Ook in Zuid-Nederland is de uitdr. bekend. De Bo, 261 citeert: met draad, volgens de richting van de draden; tegen draad, dwars door de draden, fr. par le travers des fils. Fig. Hij is altijd tegen draad op, hij werkt altijd tegen draad, fr. être toujours à rebours, agir toujours à rebours,. à contre-fil; zie ook Antw. Idiot. 372; Waasch Idiot 186 b. De Engelschen zeggen evenals wij against the grain (van hout) or the hair. In de Neder-Betuwe hoort men hiervoor: tege krups, kraps of strups op (Onze Volkstaal II, 108; V.d. Water, 99); op de Veluwe: tegen strips op (V. Schothorst, 207); in 't hd. widerhaarig, widerborstig; in Haarlem tegen den keer (de richting van den draad in geweven stoffen); fri. dwars tsjin 'e tried in wêze; it rint tsjin de tried, het wil niet vlotten.

479. Voor den draad komen,

d.w.z. voor den dag komen, zich vertoonen; met iets voor den draad komen, iets doen blijken (van gevoelens gebezigd); Harreb. I, 151 a; fri. foar de tried komme, zijn gevoelen uiten; hwet foar de tried bringe, met iets voor het licht komen, te voren brengen. De oorsprong dezer uitdr. is onzeker. Vermoedelijk moet men denken aan een wedstrijd, waarbij de mededingers eerst voor den draad, d.i. de streep, de meet kwamen, om daarna gelijk af te gaan. Vgl. het Westvl. lint, linie, streep in de uitdr. ‘van lint gaan’, van meet af beginnen (De Bo, 641 bIn de 17de eeuw, volgens Winschooten, 18 ook: voor den beitel komen (zie Tijdschrift XVIII, 87 en XIX, 129); ook bij Sewel, 73 en Waasch Idiot. 98: veur den beetel komen; Schuerm. Bijv. 26 a: iets voor den beitel (op het tapijt) brengen; en thans in Limburg: ‘voor de borden komen’ (hd. vor das (heisse) Brett kommen (Wander I, 463) naast voor de greppen komen ('t Daghet X, 178)..

Opmerking verdient evenwel het in Zuid-Nederland gebruikelijke voor de pinne(n) komen, te voorschijn komen, zich vertoonen (ook van zaken: voor den dag komen); in het Westvlaamsch: voor de rechtbank komen; evenzoo in Haspegouw, wat aanleiding kan geven tot het vermoeden, dat we in ‘draad’ (vgl. fr. corde), een staaldraad moeten zien, die als afscheiding, als balie dient (eng. the bar; fr. la barre; hd. die Schranken), welk vermoeden steun vindt in onze synonieme uitdr. voor de balie komen. Zie Volkskunde X, 17-18; De Cock, 32; Loquela, 127 en Navorscher, 1893, 610, waar nog een andere verklaring gegeven wordt.

481. Zijn leven hangt aan een zijden draadje,

d.w.z. zijn leven verkeert in groot gevaar; hij kan elk oogenblik het leven verliezen, hij is als het ware nog door een zijden, een dun draadje aan zijn leven verbonden. Reeds de Romeinen kenden de uitdr. tenui filo pendet (Otto, 136; Journal, 131); in het Grieksch zeide men εκ τριχος κρεμαται of ηρτηται, het hangt aan een haar. In de middeleeuwen vindt men bij ons in den Spieghel Hist. I6, 56, 51: Gheluc hanct bi enen drade cleene; Boëth, 54 a: Gheluc des meinschen an einen cleinen brooschen zijdraet ghehanghen es; in de 16de eeuw bij Symon Andriessoon (anno 1540), 50: Aen een zijden draet hanghen, dat is dat in perycul hangt oft dat nau oft periculoos staat. Zie verder Mnl. Wdb. VI, 1052; Suringar, Erasmus, no. LVI; V. Moerk. 379; Huygens VII, 55; Sewel, 190; Vierlingh, 92; 214; 299: Daer hanght soo ons welvaren ende lant aen een sijden draijken; vgl. het oostfri.: 't hangd an 'n siden drâd; het Friesch: syn libben hinget oan in siden tried; Wander I, 913: es hängt an einem Faden; 914: es hängt an eim seidin faden; eng. to hang by a (thin) thread; fr. ne tenir qu'à un fil(et); voor Zuid-Nederland zie Joos, 85; De Bo, 261; Teirl. 360.

1051. Hij is kachel,

ook hij is kachelig, hij is dronken; hij is half kachel, (wat) aangeschoten. Zie Köster Henke, 29: kachel, stomdronken; bl. 68: Het was een toffe gooser (een flinke kerel), eigenlijk kachel zagje hem gooit; Sjof. 80: Als de kerels naar d'r werk gingen, dan bleven ze soms hier of daar plakken, kwamme drie kwart kachel an de fabriek; bl. 127: Ja Sien, je ben sikker, je ben kachel; Van Ginneken, Handb. I, 513: kachel, dronken; Ndl. Wdb, VII, 835.

De verklaring dezer zegswijze is onzeker. Misschien moeten we uitgaan van synonieme zegsw. hij is gepoetst (o.a. in Sjof. 9: De meester, die sterk aan den draad trok (dronk), was 's avonds nog al eens gepoetst), waarin ‘gepoetst’ beteekent (glad, glimmend), dronken, dus synoniem van vet en in de olie, die beide voor ‘dronken’ gebruikt worden, naast zoo vet zijn als olie (in Maasgouw, 1914, bl. 8). Het volt. deelw. gepoetst glimmend, glad kon doen denken aan een kachel; vandaar dat dial. voorkomt nog al kachel in den zin van nog al glad, nog al duidelijk, wiedes (V. Schothorst, 148Vgl. voor een dergelijk verschijnsel het hoogd. barg. käse stehen, butter stehen naar aanleiding van schmiere stehen (zie Smeris) en dreckig lachen ontstaan op het voorbeeld van schmutzig lachen (Zeitschr. f. D. Wortf. XIII, 169).). Zoo kon ook kachel gebruikt worden van iemand die glom, en ontstond de uitdr. hij is kachel, hij is gepoetst, vet, in de olie, dronken. Waarschijnlijker is het echter wel, dat niet zoo zeer op het glimmend als wel op het roode gezicht van een beschonkene gelet is. Aanleiding tot deze onderstelling geeft het synonieme hij heb de brand, hij is dronken (Köster Henke, 11; Jord. II, 519) en de kachel aanhebben, dat voorkomt in Het Volk, 5 Mei 1914, p. 5 k. 3: Een glunderend kastelein achter de toonbank en er vóór een die de ‘kachel’ aan heeft en tot zich zelf wat te zeggen heeft.

1374. Iemands levensdraad afsnijden,

d.i. iemand doen sterven. Deze uitdrukking vindt haar oorsprong in het geloof aan de schikgodinnen, Clotho, Lachesis en Atropos, welke laatste den levensdraad door de twee eersten gesponnen, zou doorsnijden op dat oogenblik, hetwelk voor iemands dood bestemd is. Deze voorstelling is niet in de oudheid aangetroffen, doch dagteekent pas uit de middeleeuwenBaumeister, Denkmäler des Klassischen Altertums, II, 926; Roscher II2, 3093: Die ziemlich äuszerliche Verteilung der drei Funktionen des Anspinnens, des Weiterwebens und des Abschneidens des Fadens auf die drei Schwestern scheint einer späten Zeit anzugehören, die den Grundcharakter der Moira nicht mehr erfasste, wonach alle drie Schwestern wesentlich gleiche Erscheinungsformen der einen Moira waren.. Bij ons komt deze uitdrukking in den tegenwoordigen vorm in de 17de eeuw voor (zie Brederoo III, 115, 401; Huygens, Hofw. 2; Ndl. Wdb. I, 1464; VIII, 1792), doch in de middeleeuwen kende men wel enes draet breken, iemands levensdraad afbreken (Alex. VII, 116), dat te vergelijken is met de draad korten in Brederoo I, 380, 2361: Waarom kort ghy niet de draat van al mijn jaren? Hiernaast iemands levensdraad is afgesponnen, zijn einde is daar, hij gaat sterven of wel hij is gestorven (Ndl. Wdb. I, 1492); het web (des levens) of de levensdraad is afgeweven (Ndl. Wdb. I, 1871; C. Wildsch. III, 209). Vgl. Afrik. iemand se levensdraad is geknip, hij is dood; fr. couper, trancher le fil de la vie à qqn; hd. einem den Lebensfaden abschneiden; sein Lebensfaden ist abgesponnen; eng. to cut the thread of a p's life.

1593. Van de naald tot den draad,

d.w.z. van het begin tot het einde, van stukje tot beetje, van elje te melje (De Bo, 301). In de 17de eeuw te vinden bij Huygens VI, 41: Als ick 't al overslae van de naeld tot den draed, genoeghen is geluck in allerhanden staet; De Brune, Emblem. 351: Zy (de doovaers) en rusten noch en houden niet op, voor dat zy alles van de naelde tot den draed weten; Smetius, 55: Gy praet van den draet tot de naelde ende vande naelde tot den draet; Tuinman I, 195; Halma, II, 22; Harreb. I, 151; Jord. II, 208: Van naald tot draad kende hij de geschiedenis en de lotgevallen der voornaamste Zeedijk-booswichten. In Zuid-Nederland is de uitdr. eveneens bekend; zie De Bo, 301; Antw. Idiot. 1911: iet van 't naaiken tot 't draaiken vertellen; Waasch Idiot. 451; Rutten, 150; Schuermans, 401: iets van 't naaldeken tot draaiken (of den draad) vertellen, verhalen, enz., dat gelijk is aan iets met slotje en sleuter vertellen (bl. 628 a; vgl. De Bo, 1039 a); van stek tot paal ('t Daghet XII, 147) en Joos, 49: van een naadje tot een draadje uitleggen; bl. 62: iets weten van punt tot draad, gansch. In het Fransch zegt men eveneens de fil en aiguille, in den zin van ‘avec suite, avec ordre, avec régularité’; ‘locution prise du travail de la couturière, qui, après avoir mis un fil coud avec l'aiguille, et après avoir cousu avec l'aiguille, reprend du fil, et ainsi de suite’ (Littré II, 1671).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut