Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dozijn - (twaalftal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dozijn zn. ‘twaalftal’
Mnl. dosyne ‘twaalftal’ [1286; CG I, 1161].
Ontleend aan Frans douzaine ‘twaalftal’ [12e eeuw; Rey], afleiding van douze, ouder duze ‘twaalf’ [1080; Rey] < vulgair Latijn *dodeci ‘id.’ < klassiek Latijn duodecim ‘id.’, gevormd uit duo ‘twee’, verwant met → twee, en decem ‘tien’, verwant met → tien.
Mnd. dosin, dossin (nzw. dussin); mhd. totzen (< Italiaans dozzina < Oudfrans) (nhd. Dutzend); me. dozein(e) (ne. dozen).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dozijn [twaalftal] {dosine 1286} < frans douzaine < middeleeuws latijn dozena, ducena, duzenne [dozijn], latijn duodeni [telkens twaalf], van duodecim [twaalf], van duo [twee] + decem [tien].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dozijn znw. o., mnl. dosin, dossin evenals mnd. dosin(t), dossin(t), laat-mhd. totzen, nhd. dutzend, ne. dozen < ofra. dozine (nfra. douzaine) < vulg. lat. *dōdicīna gevormd van lat. duodecim ‘twaalf’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dozijn znw. o., mnl. dosîne, dusîne v. o. Evenals laat-mhd. totzen, nhd. dutzend o., mnd. dos(s)in(t) o. (waaruit de. dusin, zw. dussin), eng. dozen uit fr. douzaine met suffix-substitutie, of uit den bijvorm ofr. dosine. Het fr. woord komt van vulgairlat. *dôdicîna, een afl. van *dôdecim = duôdecim “twaalf”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dozijn. Het mnd. woord is dos(s)în.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dozijn o., Mnl. dosine, gelijk Hgd. dutzend, Eng. dozen, Zw. dussin, De. dusin, uit Ofra. dosine, (Fr. douzaine), van Lat. *duodecenum = twaalftal, een afleid. van duodecim = twaalf (z. twee en tien).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

dosyn s.nw.
Twaalftal.
Uit Ndl. dozijn (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. dozijn uit Fr. douzaine uit Middeleeuse Latyn dozena, ducena, duzenne, Latyn duodeni 'telkens twaalf', met lg. van duodecim 'twaalf', gevorm van duo 'twee' en decem 'tien'.
D. Dutzend (14de eeu), Eng. dozen (ongeveer 1300), It. dozzina, Port. dúzia, Sp. docena.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dozijn (Frans douzaine)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dozijn, van ’t Fr. douzaine = twaalftal (12 = douze) en dit van ’t Lat. duodecim = twaalf; lett.: twee-tien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dozijn ‘twaalftal’ -> Duits dialect Dutzend, Dots ‘twaalftal’; Deens dusin ‘twaalftal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dusin ‘twaalftal’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dussin ‘twaalftal’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins tusina ‘twaalftal’ ; Indonesisch dosin, dusin, losin, lusin; (Bahasa Prokem) lokus ‘twaalftal’; Ambons-Maleis dusèn ‘twaalftal’; Atjehnees dusén, lusén ‘twaalftal’; Boeginees lôsīng ‘twaalftal’; Iban lunsin ‘twaalftal’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis lusin ‘twaalftal’; Javaans losin ‘twaalftal’; Keiëes lusin ‘twaalftal’ ; Kupang-Maleis dusèn ‘twaalftal’; Madoerees lusīn, losen ‘twaalftal’; Makassaars lôsi, lôsīng ‘twaalftal’; Menadonees dusèn ‘twaalftal’; Minangkabaus lusin ‘twaalftal’; Nias sa-lusi ‘twaalftal’; Sahu disini ‘twaalftal’; Soendanees losin ‘twaalftal’; Ternataans-Maleis dusèn ‘twaalftal’; Creools-Portugees (Batavia) dozint ‘twaalftal’; Singalees dusima ‘twaalftal’ (uit Nederlands of Portugees); Papiaments dosein (ouder: dozijn) ‘twaalftal’; Sranantongo dusen ‘twaalftal’ (uit Nederlands of Engels); Surinaams-Javaans losin ‘twaalftal’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

dozijn. Het telwoord dozijn voor 'een twaalftal' gaat uit van het twaalftallig stelsel, dat het Nederlands niet kent. Het woord dozijn heeft het Nederlands dan ook in de dertiende eeuw uit het Frans geleend. In de zeventiende of achttiende eeuw heeft het Nederlands het woord op zijn beurt uitgeleend aan andere talen: in het Noors als dusin (kan ook teruggaan op het Middelnederduits), in het Singalees als dusima, in het Indonesisch als dosin, in het Sranantongo als dusen (of is het uit het Engels?) en in het Papiaments als dosein, dozein. In het Indonesisch komt dosin nog steeds voor, maar gebruikelijker is de verbastering losin, lusin; 'een dozijn sigaren' is sedosin of selusin cerutu.

Ook de benaming gros voor twaalf dozijn heeft het Nederlands ontleend aan het Frans. Het Franse grosse is een verkorting van douzaine grosse, letterlijk 'een groot dozijn'. Het Nederlands heeft dit woord wordt pas in de achttiende eeuw overgenomen. En ook dit woord is via het Nederlands terechtgekomen in het Indonesisch (als gros), in het Papiaments (als gròs) en in het Japans (als gurosu). In het Indonesisch is één gros eieren satu gros telur.

Het woord is tevens overgenomen door het Duits: Gros is de aanduiding van een bepaalde hoeveelheid handelswaar. Het woord is momenteel aan het verouderen. De spelling en de uitspraak met een korte o bewijzen dat het Nederlands de intermediair is geweest: anders zou het woord Groß hebben geluid.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dozijn telwoord: twaalftal 1286 [CG I2, 1161] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

409. Dertien in (of op) een dozijn.

Van onbeteekenende, onbeduidende personen of zaken zegt men: zoo gaan er wel dertien in een dozijn (dus in een twaalftal); men kan er dus nog wel één op toe krijgen, van zoo weinig waarde zijn ze. Harrebomée I, 125 a citeert: ‘Zoo gaan er dertig in een dozijn’. Dat wil zeggen: ‘de voorgestelde zaak is van zoo weinig beteekenis, dat men wel derdhalf voor één kan rekenen’. Met het oog op Coster, 22 vs. 365: Van sulcke mannen as jy, gater net twaalf in ien dozijn, en die wat nau dong, kreecher wel een toe op den koop (hetzelfde in Bank. II: tot de Lezers); Van Effen, Spectator VIII, 105: Het zelve (de société galante) bestaat uit twaalf jonge Heeren van 't eerste fatsoen, of ten minste van de eerste rykdom, en om met waarheid te kunnen zeggen, dat 'er dartien van zulk slag Heertjes in een douzein gaan, is my, die de dertiende ben, het ampt van Secretaris met eenparigheid van stemmen opgedraagen; en lettende op de Adagia, 23: Een Man om op een dosijn een toe te geven, homo trioboli, is de bovenstaande uitdrukking zeker wel de oorspronkelijke. Ironisch wordt ook gezegd: Zoo gaan (of zijn) er maar twaalf in een dozijn (zie o.a. Antw. Idiot. 372), d.i. daar is niets bijzonders aan; Nkr. 25 Jan. 1913, p. 4: Van helden als hij gaan er minstens een dertien op ’t dozijn; fri. sokke (zulke) geane der gjin trettsjin yn en dezyn, die zijn niet alledaagsch.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut