Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

down - (teneergeslagen, neerslachtig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

down bn. ‘teneergeslagen, neerslachtig’
Nnl. down ‘neerslachtig’ [1878; WNT Aanv.], down ‘id.’ [1899; Woordenschat].
Ontleend aan Engels down ‘neerslachtig’ [1610; OED], letterlijk ‘beneden’, verkorting van adown ‘(naar) beneden’, oe. adūne, uit ofdūne ‘van de heuvel af’, bij het zn. oe. dūn ‘heuvel’ (ne. down), hetzelfde woord als Nederlands → duin.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

down [neerslachtig] {1901-1925} < engels down, verkort uit adown [heuvelaf], van a- [van … af] + down [heuvel] (vgl. duin).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

down (Engels down)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

down [dou:n] {neer} 1. treurig, depressief; 2. van bokser: neergegaan; 3. van computer of computernetwerk: tijdelijk buiten werking.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

down bn. Ontleend aan het Engels.
[psych.] = bedrukt, terneergeslagen, somber, depri, gedeprimeerd. Na alle tegenslagen was hij een beetje depri, maar uiteindelijk krabbelde hij weer op.
[alg.] = bezitlozen; straatarmen. Het NRC schreef nog: Hoe duur mag recht zijn voor de bezitlozen?

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

down neerslachtig 1878 [Aanv WNT] <Engels

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1903. In den put zitten,

d.w.z. in verlegenheid zitten; neerslachtig zijn, down zijn (eng. to be down or in the downs); wellicht ontleend aan het ganzenbord; vgl. Harrebomée II, 205: Die in den put zit, moet wachten, tot hij verlost wordt; Handelsblad, 9 Juli 1922, p. 9 k. 1: Het lijdt geen twijfel dat wij hier in den put zitten, diep in den economischen put of economisch diep in den put; Nkr. VIII, 7 Nov. p. 4: Een leening? en 't volk diep in de put?; 14 Nov. p. 1: Ja, m'n jongen, je ouwe vader zit leelijk in den put; Nkr. IX, 31 Juli p. 2: Gij zult wel ten naasten bij weten, hoe diep uw vriend Batavus thans in de put is gezeten; Nederland, Aug. 1914, p. 432: Mannetje, er staan bij mij kamers te huur, ik zit zelf in de put, dus.... - Iemand in den put helpen in Het Volk, 21 Juli 1915, p. 5 k. 3: De leiding van het veldleger is tegen haar taak niet opgewassen. Het beginsel van ancienniteit zal ons in dezen tijd onvermijdelijk in de put helpen; fri. hy siet dêr raer yn 'e put, hij zat daar in benarden toestand; Gallée, 35: in de pûte (verwarring met pütte?) kommen, in verval geraken.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal