Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

douceur - (fooi, bijverdienste)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

douceur(tje) zn. ‘fooi, bijverdienste’
Vnnl. douceurs ‘kleine geschenken of financiële giften’ [1681; WNT Aanv.], douceurtje [1783; WNT Aanv.], douceurtje ‘steekpenningen’ [1989; Reinsma 1999].
Ontleend aan Frans douceur ‘zoetheid’ [1642; Rey], eerder dulçur [1119; Rey], afleiding van Oudfrans dulz ‘zoet’ (Nieuwfrans doux) < Latijn dulcis ‘id.’. In het meervoud betekende des douceurs ook ‘lekkernijen’. Het is de overdrachtelijke betekenis hiervan die het Nederlands heeft overgenomen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

douceur [fooi] {1824} < frans douceur < laat-latijn dulcor [zoetheid], van latijn dulcis [zoet, aangenaam, bevallig].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

douceur (Frans douceur)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

douceur fooi 1681 [Aanv WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut