Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dotterbloem - (Caltha palustris)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dotter(bloem) zn. ‘soort plant (Caltha palustris)’
Vnnl. Dotterbloeme [1554; WNT].
Een samensteling van → bloem met een bijvorm van mnl. doder, dodre ‘dooier’, zie → dooier; het eerste lid is mogelijk ook ontleend aan Duits Dotter ‘dooier’. De bloem is genoemd naar zijn gele kleur; ook de Latijnse geslachtsnaam caltha betekent letterlijk ‘goudsbloem’ en verwijst dus naar de goudgele kleur der bloemen.
Ook in nhd. (Sumpf)dotterblume (nhd. Dotter ‘dooier’); nfri. djerreblom (bij djerre ‘dooier, eigeel’); en ne. marsh marigold, letterlijk ‘moerasgoudsbloem’ wordt de kleur van de bloem benoemd.
Ook de vorm dodder(bloem) komt voor.
Lit.: M. Philippa (1989) ‘Dotter’, in: OT 58, 157

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dotterbloem* [boterbloemachtige] {1554} het eerste deel is een nevenvorm van dooier en de bloem heet zo vanwege de gele kleur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dotterbloem znw. v. ‘caltha palustris’, gewoonlijk dotterbloem maar ook dodderbloem, bij Dodonaeus dotterbloemen. — Zie verder: dodder. De naam duidt dus op de gele kleur, vandaar ook namen als geelbloem, goudbloem en grote boterbloem.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Dotterbloem, Caltha palustris s palustris
Caltha: de afleidingen van de wetenschappelijke geslachtsnaam zijn niet eensluidend. De Romeinen bedoelden met Caltha, een plant met gele bloemen. Anderen vermelden dat Caltha is afgeleid van het Griekse kalathos = korfje of schaaltje, naar de vorm van de bloemen.
Palustris s palustris: de plant groeit op moerassige of drassige plakken.
Dotterbloem: de naam dotterbloem heeft de plant gekregen naar de dooiergele kleur van de bloemen. Dotter is een bijvorm van het woord dodder en zou met dooier van een ei in verband staan.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Cáltha | Cáltha palústris: Dotterbloem
Ook hier zijn de afleidingen van de wetenschappelijke geslachtsnaam niet eensluidend. De Romeinen bedoelden met Caltha, een plant met gele bloemen, hoogstwaarschijnlijk de Goudsbloem (Caléndula officinális). Zo vinden we bij P. A. Matthiolus (1563) de Goudsbloem als Caltha beschreven en in 1577 beschrijft H. Bock de ‘Dotterblumen, oder Goldwyser blumen’, als Caltha Vergily. Anderen vermelden dat Caltha is afgeleid van het Griekse Kalathos: korfje of schaaltje, naar de vorm van de bloemen. De naam Goudsbloem vinden we alleen voor Voorne en Beierland genoteerd, waaruit we mogen concluderen dat deze naam in die streek het langst bewaard is gebleven. Zo spreekt Dodonaeus van Watergoutbloemen en Abr. Munting in zijn ‘Waare oeffening der Planten’ (1682) van Water Goudbloem. In die tijd werd de plant reeds als sierplant gekweekt, deelt hij mede, en wel de dubbele vorm. Hij schrijft: ‘Caltha palustris flore pleno, ofte Dubbele Water Goudbloeme, schoon om te zien. Beide van een Culture.’ Uit deze laatste zin blijkt dat de gewone wilde plant ook reeds gekweekt werd. Ook Clusius kende de dubbele ‘goudsbloem’ en heeft deze beschreven onder Caltha palustris, ‘sive potius chamaeleuce pleno flore.’ Zoals Dodonaeus mededeelt: ‘Wassen in de weyen ontrent Saltzburz.’
De algemeen verspreide naam Dotterbloem heeft de plant - de enige soort van dit geslacht in ons land - gekregen naar de dooiergele kleur van de bloemen, want Dotter is volgens dr. J. de Vries een bijvorm van dodder en zou met dooier in verband staan. De naam Grote boterbloem komt op vele plaatsen voor en slaat op de gelijkenis der bloemen met de alom bekende boterbloem, maar de bloemen zijn bij de Dotter veel groter, hetgeen in de volksnaam tot uitdrukking is gekomen. De naam Waterboterbloem heeft de plant mede naar haar standplaats vlak langs het water gekregen; deze naam komen we tegen in Friesland, Oostelijk Drente, Noord-Veluwe, Noord- en Zuid-Limburg en op Overflakkee. Omdat de hoofdbloei omstreeks de Paas- en Pinksterdagen valt, ontstonden namen als Paasbloem en Pinksterbloem. Niet meer voorkomende namen zijn Smeerblad en Smeerbloem, die duiden op de glanzende bladeren en bloembladen, die er uitzien alsof ze met vet of smeer ingewreven zijn; vooral de bladeren voelen vettig aan.
Op enkele plaatsen in ons land komt de naam Kleine plomp voor, namelijk in het graafschap Zutphen, West-Friesland, Utrecht en Zuid-Holland. Deze naam duidt op de gelijkenis van de bladeren en bloemen met die van de Gele plomp (Núphar lúteum), maar dan in verkleinde vorm. Voor geneeskundige doeleinden had de plant weinig te betekenen, hoewel zij eertijds in de apotheek wel voorkwam onder de naam Herba et Flores Calthae palustris. Men gebruikte de plant met haar goudgele bloemen bij geelzucht. Zo wil nu eenmaal de signatuurleer. Behalve de bladeren en de bloemen kwamen ook de zaden in aanmerking: Men moest deze dan in wijn leggen en na enige tijd dit drankje innemen. De nog groene bloemknoppen in azijn gelegd, of gedroogd, werden gebruikt in de keuken in plaats van de bekende kappertjes (Cappáris spinósa). Men verkocht ze echter ook als echte kappertjes voor een hogere prijs.
Een oud kinderspelletje was om de tegenover elkaar staande, glanzende en weerspiegelende bloemblaadjes onder de kin te houden en door de min of meer sterke weerkaatsing te weten te komen hoe groot de voorliefde voor boter was; ook vertelde men elkaar of men veel of weinig boter gegeten had.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut