Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dot - (kluwen, zuigdot, grote hoeveelheid, iets liefs)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dot zn. ‘kluwen, zuigdot, grote hoeveelheid, iets liefs’
Vnnl. dot “verwarde knoop van garen” [1669; Ende]; nnl. wat grote dotten Gy in u spinwiel bergde ‘... vormeloze plukken (hier: van ongesponnen wol) ...’ [1704; WNT bras I], een dotje Klai ‘een klompje klei’ [1770; WNT], opzichtige dotten ‘vastgestoken hoofdhaar’ [1838; WNT], dotje ‘klein en lief kind’ [1836; WNT], een dot geld ‘een hoop geld’ [1937; WNT weg II].
Hetzelfde woord als dodde in lischdodden ‘lisdodden’ [1554; Dodonaeus], zie → lisdodde. De herkomst is onzeker, maar mogelijk een kooswoord of brabbelwoord, vanwege de vele niet klankwettig verklaarbare vormvarianten, zoals het al genoemde dodde, en daarnaast bijv. Zuidoost-Vlaams tots ‘dot’ [1870; WNT tots], nnl. toet ‘(o.a.) dot’ [1893; WNT toet I], en de dubbelvorm → doddig, dottig ‘wollig, snoezig’. Misschien is er verband met → doetje, oorspr. ‘onnozele vrouw’, maar onduidelijk is hoe.
Oe. dott (ne. dot ‘stip, plek’); nzw. dial. dott ‘bosje, hoopje’.
Een van de specifieke toepassingen van het woord dot als ‘vormeloze pluk’ was de zuigdot, een katoenen lapje dat als zoethouder in de babymond werd gestopt. De toepassing van dot op kinderen zelf kan worden verklaard door de associatie met iets zachts. Ook in het Engels kan dot voor kinderen gebruikt worden, maar daar is het gemeenschappelijke element vooral ‘kleinheid’.

EWN: dot zn. 'kluwen, zuigdot, grote hoeveelheid, iets liefs' (1669)
ANTEDATERING: aerden dotten 'dotten aarde' [1560; Biestkensbijbel 2Sam 16:13, 122r]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dot* [pluk, iets liefs] {dodde [pluk] 1554; de betekenis ‘iets liefs’ 1836} de grondbetekenis is ‘verward kluwen’, waarschijnlijk een spontane klankschilderende vorming, ook dodde en tod; in de betekenis ‘klein kind’ afgeleid van zuigdot.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dot znw. m. v. ‘(verwarde) kluwen, bosje, zuigdot, lief kind’, dial. soms nog met andere betekenissen, zoals ‘bloemtros’ (Antwerpen) of ‘dikke vrouw’ (Gron.). Ook westf. dott ‘kind; dikke darm’. Daarnaast noemt Kiliaen dodde ‘stengel, stift’ (vgl. lisdodde), dat echter in de betekenis sterk afwijkt, want wij moeten uitgaan van ‘iets dat rondachtig, samengerold is’. Het woord is moeilijk te scheiden van tod, want wij vinden hier verwante betekenissen: ne. tod ‘kleine hoeveelheid wol’, oostfri. todde ‘bundel’. Het zijn woorden van een affectief karakter en zij zijn wel als wisselvormen te beschouwen; dan kan dot met verzachting van de beginconsonant uit tod ontstaan zijn. De afl. doddig naast dottig wijst er op, dat de vormen dodde en dot naast elkaar staan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dot znw. In het latere Nnl., = “(verward) kluwen, bosje, zuigdotje, lief klein kind”, dial. in dezelfde bett., bovendien o.a. “bloemtros” (Antw.), “dikke vrouw” (Gron. in deze bet. doddel). De grondbet. schijnt “iets rondachtigs en soepels”. De bet. “kind” komt over een groot gebied voor, o.a. bij westf. dott, dat ook “dikke darm” beteekent. Kil. kent dodde met de bett. “stengel, stift” e.dgl., ook reeds lischdodde “typha”. Uit ’t Mnl. is *dodde of *dot(te) niet bekend. Voor ons taalgevoel is het woord onomatopoëtisch. Afll. komen voor met d en t: doddig, dottig “lief”. Vgl. noorw. zw. dial. dott “bosje, hoopje, stroowisch”, ags. dott “punt, plek, stip” (eng. dot). De combinatie met den wortel dhū̆- (zie deuvik, dier) helpt ons niet verder. Wsch. is dot onomatop. Zie nog doetje.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dot v., een onomat.; vergel. Ohd. tuta = borsttepel, Ags. dott (Eng. dot), Zw. dott, Fri. dot = hoop, klomp en Fra. dodu = vet, poezelig — Van de oorspr. bet. prop, klomp, komt de overdrachtelijke lomp mensch, dwaas, gek. — Van hier dodde, doete, dodder, deder, dotter, dutten, bedotten (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

dot (de, -ten), fopspeen. - Etym.: AN d. of ‘zuigdot’ was vroeger een doekje met iets zoets erin gebonden, dat men zuigelingen in de mond stak om ze stil te houden. Javaanse* Surinamers voelen wellicht verband met Jav. sedot’ = trek aan een sigaar e.d. - Syn. stoppertje*. Zie ook: fopper(tje)*, tuit* (1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dot: gew. dim. dotjie, “hoedjie”; blb. verb. m. Ndl. dod/dot, “iets tot ’n massa saamgedraai” (bv. ’n haardos; ’n suikerprop vir babas, ens.), so ook Eng. dot, “small lump”, herk. onbekend.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

dotje Onlangs gehoord in Zottegem in Oost-Vlaanderen, en in Gent, in de vorm dotske. De oorspronkelijke betekenis van dot is ‘gecomprimeerde kleine massa’. Dotske is dus een van de vele borrelnamen die de kleinheid van het borreltje benadrukken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dot ‘pluk, dot katoen, lapje als speen’ -> Noors dott ‘pluk, handvol’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch dot ‘speen’; Boeginees ‘speen’; Jakartaans-Maleis dot ‘speen’; Javaans dhot, edhot ‘gezoet zuigdoekje (zuigeling); poetslap’; Menadonees dot ‘speen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dot* pluk 1554 [WNT]

dot* lief persoon 1836 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut