Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dorsen - (graankorrels uit de aren slaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dorsen ww. ‘graankorrels uit de aren slaan’
Mnl. dersgen ‘dorsen’ [1240; Bern.], darscede (pret.) ‘dorste’ [1285, CG II, Rijmb.].
Mnd. derschen, dorschen; ohd. dreskan, threskan (nhd. dreschen); oe. ðerscan, þerscan (ne. thrash ‘slaan’, thresh ‘dorsen’); on. þryskva, þriskja, þreskja (nzw. tröska); got. þriskan ‘dorsen’; < pgm. *þreskan- ‘dorsen’.
Verwant met Litouws treškė́ti ‘kraken’, trėkšti ‘persen, kneuzen, fijnstampen, melken’, trùškinti ‘kleinmaken, verbrijzelen’; Oudkerkslavisch trěskŭ ‘gekraak’ (Russisch tresk ‘kraken’); bij de wortel pie. *terh2- ‘draaien, wrijven’ (IEW 1071-4). De Nederlandse vormen hebben r-metathese ondergaan.
De Germaanse werkwoorden verwijzen naar een oude manier van dorsen: het wrijvend stampen met de voeten; hierop wijzen ook de uit het Germaans ontleende woorden Oudfrans treschier, Provençaals trescar ‘dansen’, ook Oudpicardisch drassen ‘dorsen’; Italiaans terscare ‘trippelen, dansen’, in sommige Italiaanse dialecten treska ‘dorsen’; Spaans triscar ‘stampen, dansen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dorsen* [zaad uit de aren slaan] {dersc(h)en, dorsc(h)en 1285} evenals middelnederduits derschen, dorschen, oudengels ðerscan met metathesis van r, vgl. oudhoogduits dreskan, oudnoors þriskja, gotisch þriskan; vermoedelijk verwant met latijn terere, grieks teirein [wrijven].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dorsen ww., dial. (in het Zuiden) ook darsen, dersen, mnl. derscen, darscen, dorscen door metathesis ontstaan uit germ. *þreskan, vgl. mnd. derschen, dorschen, ohd. dreskan, oe. ðerscan (ne. thrash, thresh), on. þriskja, þryskva, þreskja, got. þriskan. — lit. treškė́ti ‘kraken, knetteren’, osl. tréskŭ ‘gekraak’ die verder teruggaan op de idg. wt. *ter ‘wrijven, draaien’; zie: draaien (IEW 1072).

Het germ. woord is vooral over het Frankisch in het ofra. als treschier ‘dansen’ overgenomen, maar wij vinden het ook in verschillende andere talen: ital. trescare ‘dansen, rondspringen’, tosc. trescare ‘stampen’, in de dial. van Milaan, Novara, Abruzzen treskà ‘dorsen’ (Meyer-Lübke 722). Met recht maakt daarom FW 128 de opmerking, dat de bet. van het germ. woord is: ‘met de voeten stampen’, wat wijst op de overoude methode het graan op de dorsvloer met de voeten te treden, om de korrels uit de aar te doen springen. Dat leidt echter tot de conclusie, dat het woord zeer oud moet zijn en dan is het van gewicht, dat het alleen in het germ. en het balto-slavisch (maar hier sporadisch en wel formeel, maar niet naar de inhoud overeenstemmend) voorkomt. De voorgestelde etymologie bevredigt ook daarom niet, omdat de weg van een bet. ‘draaien’ tot ‘dorsen’ lang is. Zou men niet veeleer aan een substraatwoord mogen denken? — Voor de metathesis van korte klinker tussen r en dentaal en de o-kleur van de vokaal vgl. van Wijk Ts. 27, 1908, 16-26 en W. de Vries Ts. 28, 1909, 221-257.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dorschen ww., in zuidelijke diall. ook dars(ch)en, ders(ch)en, mnl. derscen, darscen, dorscen. Met metathesis uit *þreskan. Uit re vóór dentaal moest in sommige diall. er, elders ar, or ontstaan: zie barsten. Maar de vorm dors(ch)en komt in veel streken voor, waar we geen o zouden verwachten: dat komt, doordat de infin. en het praes. de vocaal van het sterke verleden deelw. hebben overgenomen. Minder wsch. is een reeds oergerm. schwundstufig praesens, trots ozw. þruska “dorschen” (zeldzaam). De oergerm. vorm is *þreskanan of *þriskanan: ohd. drëskan (nhd. dreschen), mnd. derschen, dorschen, ags. ðerscan (eng. to thrash, thresh), ozw. þriska (ook þryskia; on. þryskva, þriskja),got. þriskan “dorschen”. De ospr. bet. was “stampen met de voeten”, vgl. de uit het Germ. ontleende woorden it. trescare “trippelen, dansen”, ofr. treschier, prov. trescar “dansen”. Als *þreskanan de oudste germ. vorm is, moeten wij lit. treszinti “slaan” in de eerste plaats vergelijken. Van ksl. trěskŭ “gekraak”, lit. treszkěti, traszkěti “kraken” wijkt de beteekenis meer af; toch is verwantschap niet uitgesloten. Is *þriskanan ouder, dan moet de sterke vervoeging van het wgerm. en ozw. ww. (in ’t Got. komen alleen praesensvormen voor) secundair zijn: minder wsch. Germ. *þriskanan zou idg. *trig-sḱo-no-m kunnen zijn en verwant met lat. trîvi “ik wreef” (van de basis trī̆g- of de kortere trī̆-) gr. tríbō “ik wrijf” (trîg-w-). Zoowel þre- als þrī̆- moeten bij de basis ter- “wrijven enz.” worden gebracht. Zie draaien.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dors[ch]en. Als ospr. bet. wordt in het art. genoemd ‘stampen met de voeten’, d.w.z. ‘het graan door stampen met de voeten uit de aren halen’, een primitiever methode van dorsen dan de bij vlegel Suppl. besprokene.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dorschen o.w., Mnl. id., darscen, derscen + Ohd. drescan (Mhd. en Nhd. dreschen), Ags. đerscan (Eng. to thrash), On. þreskia (Zw. tröska, De. terske). Go. þriskan: Ug. *thrik-sk + Gr. tríbein, Lat. tergere: Idg. wrt. treiɡ. Uit het Germ. in ’t Rom. : It. trescare, Ofra. trescher = dansen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

deerse (ww.) dorsen; Vreugmiddelnederlands dersgen <1240>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dorschen (Mnl. dersen; eig. dressen; vgl. Angelsaks. trescan) komt van den Idg. wt. tresk = met geraas stampen of trappen, daar ’t oude dorschen met de voeten geschiedde, dus zonder vlegel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dorsen* zaad uit de aren slaan 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut