Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dors - (jonge kabeljauw (Gadus morhua))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dors zn. ‘jonge kabeljauw (Gadus morhua)’
Mnl. derchs, dorchs (genitief) ‘(van) zekere vis’ [1252; MNW dersch]; dorssch ‘zekere vis’ [1420; MNW dersch]; vnnl. Dorsch ofte Cabbeljaeu ‘dors of kabeljauw’ [1641; WNT].
Ontleend aan on. þorskr ‘id.’, gevormd met een k-suffix uit þurr ‘droog’ (hetzelfde woord als → dor), dus ‘gedroogde vis’, omdat deze soort vaak tot stokvis wordt verwerkt.
Mnd. dorsch (nhd. Dorsch ‘dors’); on. þorskr (nzw. torsk ‘kabeljauw’ en ne. torsk ‘lom’); < pgm. *þurska-.
In het verleden werd de dors als een afzonderlijke vissoort beschouwd (Gadus callarias), later bleek dat er sprake was van jonge exemplaren van de gewone kabeljauw.
Aan het Germaans ontleend zijn onder meer Fins turska, Ests tursk en Russisch treska ‘stokvis’.
Lit.: W. Sayers (2002) ‘Some Fishy Etymologies: Eng. cod, Norse þorskr, Duits kabeljauw, Sp. bacalao’, in NOWELE 41, 17-30

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dors [jonge kabeljauw] {dorsc, dorch [een soort schelvis] 1351-1400} < oudnoors þorskr, engels torsk, middelnederduits dors(ch), hoogduits Dorsch [jonge kabeljauw]; het woord is ontleend aan het noordgerm. en hangt stellig samen met dor (men denke aan stokvis).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dors znw. m. ‘jonge kabeljauw’, mnl. mnd. dorsch. Verder alleen on. þorskr ‘gadus morrhua’ (dat in de oude lit. hoogst zelden voorkomt). — Het woord is afgeleid van þurr ‘dor’ en wijst dus op het gebruik de kabeljauw in de zon te laten uitdrogen tot stokvis. Blijkbaar strekte zich de export van deze gedroogde vis ver uit, want de naam werd overgenomen in iers trosg en ne. torsk. Dat maakt het wel waarsch. dat het westgerm. dors, dat alleen bij de volken aan de Noordzee bekend is, ook uit het Skandinaafs overgenomen is. Dit zal trouwens ook het geval zijn met russ. terska ‘stokvis’, dat in de Slavische talen geïsoleerd staat (Tamm, UUÅ 1882, 17).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dorsch znw. Reeds mnl. (dorch, derch), mnd. (dors(ch) > nhd. dorsch m.), on. (þorskr m.). Verwantschap met russ. treská “stokvisch” en met de woordgroep van dor is mogelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dorsch m. (soort van kabeljauw), Mnl. dorsc + Ndd. en Hgd. dorsch, On. þorskr (Zw. en De. torsk) van waar Ru. treska = stokvisch: afleid. van dor. Uit Germ. Fr. dorche en Mlat. dursus.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dors (Oudnoor(d)s þorskr)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dors ‘jonge kabeljauw’ -> Duits Dorsch ‘jonge kabeljauw’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † dors ‘bepaald aas, oorspr. gedroogde kabeljauw als aas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dors jonge kabeljauw 1351-1400 [MNW] <Oudnoor(d)s

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut