Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dorpel - (drempel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dorpel zn. ‘drempel’
Onl. duropello [8e eeuw; LS, LVIII,2] met de varianten: duropullo, duropalo, duropelle, durpilo; mnl. dorpel [1240; Bern.], binnen der heren důrpel ‘binnen de dorpel van de heren’ [1270-90; CG II, Moraalb.]; vnnl. dorpel [1552; Apherdianus], den dorpel vander doren [1562; Kil.], deurpel [1599; Kil.].
De herkomst van het woord is niet duidelijk. Vaak wordt het, mede vanwege de vroege vormen in de ‘Lex Salica’, herleid tot een samenstelling van → deur en → paal. Het probleem is echter dat men dan niet alleen moet aannemen dat het Latijnse leenwoord paal al zeer vroeg is overgenomen, maar ook dat het tweede deel van de samenstelling al vroeg onduidelijk is geworden gezien de vele varianten. Daarom wordt nu aangenomen dat de interpretatie ‘deur-paal’ mogelijk pseudo-etymologisch is. Oudengels þrescold (> Engels threshold ‘drempel’) en Oudnoords þre(p)sköldr, þrøskjöldr ‘drempel’ duiden er misschien op dat er in het eerste deel een wortel als *þrep-, þerp- zit, die mogelijk met → dorp verwant is. De oorspr. betekenis zou dan voor het eerste deel iets als ‘balk’ kunnen zijn. Het manco bij deze etymologie is dat men in dat geval in de vroege vindplaats, zeker in het Frankisch, de spelling th- verwachten zou.
Dorpel komt in een deel van het Nederlandse taalgebied voor, naast → drempel in een ander deel. De relatie tussen deze twee woorden is problematisch. Bij drempel is waarschijnlijk sprake van r-metathese en nasaalinfix in hetzelfde woord; het moet dus om een substraatwoord gaan.
Mnd. dorpel; nhd. (dial.) Dürpfel, Dorpel, ‘drempel’ [Grimm II, 1301, 1735], Dürpel [Schmidt-Wiegand 1969, 405].
Daar verwantschap met dorp problematisch is, kan men eventueel van pgm. *der-, *dur- uitgaan, waarmee men bij pie. *dher- ‘vasthouden, stutten’ (IEW 252-55) belandt. Deze wortel zit bijv. ook in Sanskrit dhárana- ‘grondslag, steun’ en Grieks thrónos ‘zetel’, zie → troon.
De spelling deurpel bij Kiliaan wijst wrsch. op Brabantse uitspraak en niet op een verband dat gelegd zou zijn met deur.
Lit.: R. Schmidt-Wiegand (1969) ‘Die Malbergischen Glossen der Lex Salica als Denkmal des Westfränkischen’, in: Rheinische Vierteljahrsblätter 33, 396-422; Boutkan 1998, 108-9

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dorpel* [drempel] {do(e)rpel, durpel 1201-1250} nl. dial. ook durpel, delper, van deur en paal1; het gebruikelijke woord in het zuidelijke deel van het taalgebied, tegenover het noordelijke drempel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dorpel znw. m., naast het meer gewone drempel, mnl. dorpel, duerpel, doorpāle, mnd. dorpel, nhd. dial. dürpfel; reeds onfrank. durpilo, duropullo (Lex. Sal.). — Gewoonlijk verklaard als samenstelling van deur en het Lat. leenwoord paal en volgens van Ginneken, Taaltuin 2, 1933, 52-55 omstr. 400 opgekomen; het verdrong het oudere woord *swallia (nhd. schwelle). Maar de vormen der Lex. Sal. vertonen dan wel een sterke reductie van het 2de lid paal.

De vorm drempel heerst in een gebied ten N. van een lijn, die loopt door de prov. Ζ. Holland, Utrecht, Gelderland in de richting West-Oost, terwijl het uiterste NO. weer ongenasaleerde vormen heeft (zie van Ginneken t.a.p.). Ofschoon deze in een beperkt taalgebied voorkomen, is het niet waarsch. dat zij jonge nasaleringen zouden zijn. — In het germ. vinden wij nog een ander woord, dat moeilijk te verklaren is: ohd. driscubli, driscufli, oe. ðerscold, ðersweold, ðrexwold (ne. threshold), on. þreskǫldr, þreskjǫldr, þrøskǫldr, þrepskjǫldr, die opvallen door hun sterk afwijkende, wellicht deels ook door volksetymologie beïnvloede vormen; deze zijn naar hun herkomst ook onduidelijk (AEW 621). Toch kan men ze niet geheel scheiden van het woord dorpel en wel door het element *þurp: þrep: *þresk (afleidingen van een idg. wt. *ter?); van deze herinnert de vorm þrep aan on. þrep, waarvoor zie: dorp. Gaat men uit van een bet. ‘onderlaag van aarde, om er een hekwerk op te zetten’, dan zou men daaruit ook de bet. ‘drempel’ kunnen afleiden. — Bovendien komen al deze woorden alleen in het germ. voor, zodat aanknoping aan idg. bezwaarlijk is; let men dan nog op de sterk wisselende vormen, dan zou men kunnen vermoeden, dat het woord uit een substraattaal stamt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dorpel znw., in de beschaafde taal ongewoner dan drempel, in de diall., behalve de friesch getinte in Holland en elders, het gewone woord. = mnl. Teuth. mnd. dorpel m., nhd. dial. dürpfel e.a. vormen. Het is niet duidelijk, in welke verhouding dorpel tot oofri. mnl. (holl.) dreppel, mnd. druppel m. en tot drempel staat. Zijn al deze vormen oud? Dorpel is het wel, blijkens onfr. durpilo, duropullo e.a. vormen in de Lex Salica, die tevens doen zien, dat de d geen germ. þ is. Verwantschap met deur is niet onmogelijk, maar wel onwaarschijnlijk; deurpel bij Kil. berust op volksetymologie. Wellicht ablautend met ohd. trëffan, van een idg. wortel dhereb-? Of met idg. bhn bij got. gadraban “uithouwen” (zie treffen)?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dorpel. De drempel-vormen komen voor in een gebied ten N. van een grenslijn, die door de provincies Z.-Holland, Utrecht en Gelderland met bochten West-Oost loopt, terwijl het uiterste N.O. weer een vorm zonder nasaal heeft: zie kaart bij v. Ginneken Taaltuin 2, 53. Of wij drempel, owfri. drempel, drumpel, drompel (fri. drompel), oostndl. drömpel mogen opvatten als jonge nasaleringen (vgl. pampier naast papier) van dreppel, mnd. drüppel en deze laatste door metathesis uit dorpel resp. *derpel mogen verklaren, blijft ook na v. Ginnekens uiteenzetting ald. 54 zeer onzeker, evenals de verwantschap met deur.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dorpel m., Mnl. dorpel, duerpel, dreppel, Onfr. in dorpilo + Mndd. druppel: de verklaring is niet zeker; de waarschijnlijkste is, er een samenstelling in te zien van paal met *door = deur (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dölper, dörpel (zn.) dorpel; Aajdnederlands duropello <701-800>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dorpel ‘drempel’ ->? Duits dialect Dörpel ‘drempel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dorpel* drempel 0701-800 [Lex Salica]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut