Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dorp - (nederzetting)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dorp zn. ‘nederzetting’
Onl. in thorpe-falthio ‘overval op een hoeve’ [8e eeuw; LS], thorp in diverse plaatsnamen, bijv. (gedeeltelijk verduitst) Spelthorf ‘Spaldrop’ [891-92; Künzel 328], Accasthorp [918-48; Künzel 56], dorp ‘Tourpes (Henegouwen)’ [947-53; Gysseling 1960]; mnl. uan den woeninghen of uan der couteren in sente pieters dorp ‘van de woningen of van de meent in de nederzetting, het dorp van St. Pieter’ [1231; CG I,19], dorp ... velt ‘landgoed’ [1240; Bern.].
De oorspr. betekenis lijkt ‘bouwsel, houten huis’ of ‘(hoeve op) pas ontgonnen land’ geweest te zijn, later ‘groep huizen’. Niet duidelijk is of het daarbij eerst om het bouwsel ging of om het land. De huidige betekenis zal zich ontwikkeld hebben toen men de huizen, bijv. om veiligheidsreden, dichter bij elkaar bouwde.
Os. thorp ‘dorp’; ohd. dorf ‘dorp, landgoed’ (nhd. Dorf); ofri. thorp en met ablaut therp (< *tharp) ‘dorp’ (zie ook → terp) (nfri. doarp < Nederlands); oe. þorp, þrop ‘boerderij, dorp’; on. þorp ‘boerderij, hoeve, dorp, grafheuvel’ (nzw. torp ‘pachtpoerderijtje’); got. þaurp ‘land, bebouwd land’; < pgm. *þurpa-, þarpa- ‘hoeve, huis’.
De herkomst van het woord is omstreden en niet duidelijk. Als de betekenis van de pgm. wortel ‘huis’ is, kan er verband zijn met Latijn trabs ‘boomstam, balk’, taberna (< *traberna) ‘houten hut’; Middeliers treb ‘huis, landgoed’; Litouws trobà ‘huis, gebouw’; (wrsch. niet met Grieks téremnon ‘huis, kamer’); de betekenis zou zich dan hebben ontwikkeld van ‘houten huis, bouwsel’ tot ‘hoeve’ en later tot ‘dorp’. Prokosch legt verband met Latijn turba, o.a. ‘gedrang, dichte zwerm’ (zie → turbulent), wat erop zou wijzen dat de oorspr. betekenis al een groep huizen is, maar dit verband is weinig waarschijnlijk. Kluge denkt aan verband met Oudkerkslavisch trěbiti ‘reinigen, ontginnen’ en een betekenis ‘(huis op) een nieuw ontgonnen stuk land’, zoals nzw. torp een aanduiding is voor een jongere boerderij die vanuit een bestaande hoeve is gesticht; de Oudkerkslavische vorm zou echter moeten teruggaan op een wortel pie. *terb-, terwijl -er- verder in geen van de genoemde mogelijke verwanten van dorp voorkomt. Een oorspr. betekenis ‘ontgonnen land’ zou wel passen bij de betekenis ‘land, akker’, die soms wordt aangetroffen. Gezien de geringe verspreiding en het betekenisveld gaat het hier zeker om substraatwoorden.
Lit.: W. Foerste (1963) ‘Zur Geschichte des Wortes Dorf’, in: Studium Generale 16, 422-433

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dorp* [plattelandsgemeente] {in de vroegere Noord-Hollandse plaatsnaam Accasthorp <918-948>, dorp [akker, hoeve, dorp] 1230-1231} oudsaksisch thorp, oudhoogduits dorf, oudfries thorp, oudengels ðorp, ðrop [landgoed, dorp], oudnoors þorp [hoeve], gotisch þaurp [landgoed]; buiten het germ. latijn trabs [balk, dak, huis], taberna [hut], oudiers treb [dorp], welsh tref [stad], litouws troba, lets trāba [gebouw]. De betekenis ‘hoeve’ is ouder dan ‘dorp’. Bij de bevolkingsgroei werd het woord een aanduiding van ‘een aantal huizen’. Ablautend hierbij terptroep.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dorp [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: de 129b door het NEW veronderstelde oorspronkelijke betekenis ‘heining’ > ‘omheinde ruimte’, vindt men bevestigd bij W. Foerste, Zur Geschichte des Wortes Dorf (Studium Generale 16, 422-433) [1963]; ook de betekenissen ‘veeperk’, ‘kudde’, ‘schaar’ en ‘boerderij’ zijn uit een grondbetekenis ‘heining’ af te leiden.

dorp znw. o. mnl. dorp o. ‘akker, hoeve, dorp’, os. thorp, ohd. dorf, ofri. thorp o. (waarnaast therp > nfries. terp), oe. ðorp, ðrop m. ‘landgoed, dorp’, on. þorp o. ‘hoeve, boerenhuis’, got. þaurp o. ‘landgoed’. — miers treb, lit. trobà, osk. trííbum ‘huis’, gr. téremnon ‘huis, kamer’, tráphēks, trápēks, lat. trabs ‘balk’ (IEW 1090).

Het woord is een oude -es, -os-stam (volgens Frings-von Unwerth PBB 36, 1910, 561). — Voor de etymologie is het van belang te weten, wat de oorspronkelijke betekenis van dit woord is. De gr.-lat. woorden met de betekenis van ‘balk’ leiden er toe, van een begrip ‘huis’ uit te gaan; aldus M. Eriksson, NB 31, 1943, 72-100, die als ontw. opstelt: ‘landgoed, boerenhof’ > ‘huizengroep, dorp’. Te ingewikkeld schijnt de ontwikkeling ‘gerooide plaats in het bos’ > ‘veld (zonder huis)’ > ‘huis met het bijbehorende land’ > ‘boerenhoeve’ > ‘dorp’, die N. Lindquist, Stort och smått i språkets spegel, Uppsala, 27 aanneemt. Daarentegen wil R. Much, ZfdA 36, 1892, 110 van een bet. ‘dorp’ uitgaan en wel wegens kymr. tref ‘dorp’ en de gall. volksnaam Atrebates. — Terwijl het reeds natuurlijk schijnen zou, dat het dorp ontstaan is uit de groep van afzonderlijke hoeven (vg. on. ‘woning’ en got. weihs ‘dorp’), zo laten de woorden lat. trabs en on. þrep ‘onderlaag van aarde, waarop een omheining opgericht wordt’ er nauwelijks twijfel over bestaan, dat men van ‘huis’ zal moeten gaan. — Daarmee zijn alle mogelijkheden tot verklaring nog niet uitgeput. M. Eriksson, Hjälle och tarre, 1943, 258 gaat van het ‘blokhuis’ uit en ontwikkelt daaruit de bet. van ‘pachthoeve, afzonderlijke boerderij, hofstede, dorp’. Daarentegen denkt L. Hellberg, NB 42, 1954, 166 vlgg. aan een oorsprong in de bet. ‘verhevenheid, opgeworpen hoogte’ (vgl. fri. terp), waaruit dan zou zijn ontstaan die van ‘op die hoogte gebouwde woning’; zie verder nog E. Rooth, Nordseegerm. Beiträge 1957, 45-51. — Er is nog een bet. die dient te worden beschouwd: on. þorp bet. ‘hoop, menigte’. Indien men dat verbindt met lat. turba ‘menigte’ en gr. túrbē ‘lawaai, verwarring’ en deze op een idg. wt. *tu̯er terugvoert (S. Bugge, BB 3, 1879, 112; IEW 1100), dan scheidt men dit woord van het andere, waarvoor toch geen aanleiding is. In elk geval wijst de bet. van nhd. dial. dorf ‘bijeenkomst van vrienden’ (die Jóhannesson, Isl. Etym. Wb. 454 meedeelt) niet op een grondbetekenis van een ‘verwarde menigte’, maar op een kring van nauw verbonden personen. Hier zou men kunnen denken aan de gedachtengangen van J. Trier, die met elkaar verbindt de begrippen van ‘bos, waar hout gehakt wordt’ en ‘het daarmee gewonnen materiaal’, dan ‘wat daarmee gemaakt wordt’ (heining, huiswand), dan ook ‘de omheinde ruimte’, zoals die van tempel en dingvergadering. Daarin zou de bet. ‘schaar’ uitstekend inpassen. — M. Schönfeld NT 31, 1937, 177-181 wijst op de verdeling der vormen *þarpa- in het noordel. en þurpa in het zuidel. westgerm.; uit *þarpa- ontwikkelde zich zowel fri. t(h)erp als saks. tharp, darp. Metathesis-vormen vinden wij in plaatsnamen als Geldrop en Vlodrop.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] dorp. Lees: ags. ðorp, ðrop m.

dorp znw. o., mnl. dorp o. “akker, hoeve, dorp”. = ohd. (nhd.) dorf, os. ofri. thorp o. “dorp”, ags. ðorp, ðrop o. “landgoed, dorp”, on. þorp o. “hoeve, menschenmenigte” (waarbij þyrpast “zich samendringen”), got. þaúrp o. “stuk land”, germ. *þurpa-. Naast dorp in eenige ndl. diall. darp, derp, een vorm die ook in ’t Os. en Ofri. voorkomt als tharp resp. therp, en op een germ. *þarpa- wijst. Van den idg. wortel tereb-, die “snijden, hakken” beteekent en waarvan termen bij de houtbewerking en huisbouw zijn gevormd. Vgl. ier. obret. treb “woning” (obret. treb “volksafdeeling” is wellicht een ander woord, verwant met lat. tribus, of hieruit ontleend), ier. atreba “hij bezit, woont”, lat. trabs “balk”, osk. trííbúm domum, aedificium”, gr. téremnon, téramnon “huis, kamer”, lit. trobà “gebouw”. In eenige taalgroepen ontwikkelde zich de bet. van tereb- ook anders: over ’t heele slav. gebied komt oerslav. *terbiti “reinigen” voor, hier en daar ook “zeven”; voor de bet.-ontwikkeling vgl. russ. téreb “het rooien”, terebít’ “(een vogel) plukken”, istrebíť “uitroeien” = serv. istrijèbiti “id.”, po. trzebić “rooien”, čech. třıbiti “dorschen, stukwrijven”. Voor germ. *þurpa- (*þarpa-) moeten wij twee grondbett. aannemen: “stuk land” en “schaar menschen”, die beide begrijpelijk zijn, als wij van tereb- “afsnijden” uitgaan: “afgesneden, begrensd stuk land” (vgl. gr. témenos bij témnō “ik snijd”) en: “afdeeling menschen”. De bet. “schaar menschen” doet ook aan lat. turba “woelige menschenmassa”, gr. túrbē “verwarring” denken, dat bij een basis *twer- hoort, maar er is geen aanleiding om twee germ. woorden *þurpa- te onderscheiden, en ook zal de bet. “landgoed, stuk land” wel niet op “schaar menschen” teruggaan. De vorm *þarpa- zou in geen geval klankwettig bij een basis twer- kunnen hooren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dorp. Ags. ðorp, ðrop wordt gew. m. opgegeven (vgl. v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dorp o., Mnl. id., Os. thorp + Ohd. dorf (Mhd. en Nhd. id.), Ags. đorp (Eng. thorp), Ofri. id., On. þorp (Zw. en De. torp), Go. þaurp (= veld); daarnevens met ablaut Os. þarp, Ofri. therp + Gr. tráphēx = balk, Lat. tribus = stam, trabs = balk, Oier. treb = gehucht, Lit. troba = huis: Idg. wrt. treb = hakken, bouwen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dörp (zn.) dorp; Aajdnederlands thorpe <701-800>.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

dorp 'hoeve, (dochter)nederzetting'
Onl. thorp 'hoeve, (dochter)nederzetting', mnl. dorp 'akker, hoeve, dorp', ofri. thorp, therp 'dorp', os. thorp 'dorp', ohd. dorf 'dorp, landgoed', oe. þorp, þrop 'boerderij, dorp', ono. þorp 'boerderij, hoeve, dorp, grafheuvel', got. þaurp 'land, bebouwd land'. Uit germ. *þurpa-, waarnaast een oude ablautvariant germ. *þarpa- die ten grondslag ligt aan → Darp en ofri. therp 'dorp, wierde'. De verdere herkomst is niet duidelijk, maar gezien de geringe verspreiding en het betekenisveld (landschap) komt het woord vermoedelijk uit een substraattaal1. In de Frankische tijd duidde dorp de omheinde ruimte aan waar het vee werd ondergebracht en als zodanig kwam het woord in het Oudfrans (fra. troupe 'kudde, bende') terecht, later terugontleend als troep2. In de middeleeuwen (ca. 900-1200) stond dorp voor een secundaire nederzetting. Thans betekent het niet meer dan een plattelandsnederzetting van een zekere grootte. Namen op -dorp kunnen in alle tijden ontstaan zijn, maar mogelijk door connotatie met het woord dorpere 'dwaas' zijn in de late middeleeuwen vrijwel geen namen op -dorp meer gevormd3.
Oudste attestaties in plaatsnamen: 891-892 kopie 1170-1175 Spelthorf (→ Spaldrop), met verhoogduitst thorf4, 918-948 kopie 11e eeuw Accasthorp 'dorp van de persoon Akki' (ligging onbekend, in Noord-Holland)5.
Lit. 1EWN I 614v, 2De Vries 1971 129, aanvulling De Tollenaere, 3Philologia Frisica 4 (1966) 12, Geografisch Tijdschrift 11 (1977) 404, 4Künzel e.a. 1989 328, 5Idem 56.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dorp. In verschillende Idg. talen komt dit woord voor, maar niet altijd in de bet. van ons dorp; soms bet. het een boerenplaats of een gehucht, dan weer een vergadering, of menigte, soms ook een volksstam. Maar alle wijzen toch duidelijk op een „zich verzamelen”. Vandaar dat ’t woord waarschijnlijk is afgeleid van den Idg. wt. treb = zich verzamelen. (Vgl.: ’t Lat. turba = menigte, en tribus = volksstam; Oud-iersch: treb, Friesche vorm terp; in sommige onzer dialecten derp.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dorp ‘plattelandsgemeente’ -> Engels dorp ‘(Nederlandse) plattelandsgemeente; kleine stad in Zuid-Afrika’; Deens dorp ‘plattelandsgemeente’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans troupe ‘legereenheid, kudde, groep’ Frankisch; Frans trop ‘te; overdreven veel; (ouder: grote hoeveelheid en vandaar bijwoordelijk gebruikt)’ Frankisch; Baskisch tropel(a) ‘groep, kudde, schaar, troep(enmacht)’ ; Baskisch tropa ‘groep, kudde, schaar, troep(enmacht)’ ; Esperanto trupo ‘personeelsleden van de krijgsmacht’ ; Esperanto tro ‘te; overdreven veel’ ; Noord-Sotho toropo ‘plattelandsgemeente’ ; Tswana torôpô ‘plattelandsgemeente’ ; Zuid-Sotho toropo ‘plattelandsgemeente’ ; Shona dhorobha ‘plattelandsgemeente’ ; Amerikaans-Engels † dorp ‘gehucht’; Negerhollands dorp ‘plattelandsgemeente’; Papiaments dorp ‘plattelandsgemeente’; Sranantongo dorpu ‘kleine gemeente’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dorp* plattelandsgemeente 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1128. De kerk in 't midden (van het dorp) laten (of houden),

d.w.z. de zaak laten waar ze behoort, haar niet overdrijven, het niet al te dol aanleggen; ook een geschil zoo bijleggen, dat beide partijen tevreden zijn. Vgl. Harreb. I, 150: Laat de kerk in 't midden van het dorp staan; Het Volk, 1 Febr. 1913, bl. 2 p. 7: Wat meer voorzichtigheid in het voorspellen ten opzichte van de thuiswedstrijden is daarom aangeraden en we durven daarom nòch een Dordtsche nòch een Amsterdamsche overwinning te voorspellen, doch zullen de kerk in het midden laten en vermoeden dat het evenals bij Sparta een 1-1 wordt; De Ploeg V, 1 April, binnenzijde omslag: Dies zullen we, als tot nu, de kerk maar in het midden houden; W. Pik, Nieuwe Lectuur IIP. Noordhoff, Groningen, 1912., bl. 192: Zij zou om de oude schuld gaan manen en ik vrees dat ze zich niet met een praatje zou laten afschepen. Daar is ze koopvrouw voor en houdt ze de kerk in 't midden van het dorp; F. Verschoren, Langs kleine wegen, bl. 126: Zorgen dat de kerk in 't midden van de parochie blijft staan; fri. tsjerke en toer (toren) moatte midden yn 't doarp bliuwe, men moet aller belangen zooveel mogelijk behartigen, eene zaak niet overdrijven; Boekenoogen, 812: recht is recht en de kerk in 't midden; Antw. Idiot. 639: de kerk in 't midden (van 't dorp) laten, het verschil in tweeën doen, een geding zoo scheiden en deelen, dat men van weerskanten tevreden zij; Claes, 105: Zorge dat de kerk in 't dorp blijft, zijne eigen of ook andermans belangen behertigen, niet verwaarloozen; Teirl. II, 125; Rutten, 110; Waasch Idiot. 186: Ge moet zien dat de kerk in 't dorp of in 't midden blijft staan, ge moet alles goed schikken, zoo schikken dat alles redelijk zij en blijve; hd. die Kirche muss (mitten) im Dorfe bleiben, warnung vor Ueberstürzung (Wander II, 1338); Lass die Kirche im Dorfe, kehre die Dinge nicht um; man muss es beim Alten lassen, an eingeführten Gebräuchen nicht änderen (II, 1342In 't fr. beteekent il faut mettre le clocher au milieu du village, mettre à portée se qui seit à tous.); syn. is het kerkje bij 't schuurtje laten staan, de feiten mededeelen, zooals ze zijn; het huisje bij 't schuurtje laten; het kastje bij 't muurtje laten blijven, in den zin van ‘het niet te dol aanleggen’.(Aanv.) Vgl. Ndl. Wdb. VII, 2260.

2151. Het kan beter van de stad dan van het dorp,

Men bezigt deze zegswijze, om te kennen te geven, dat eene uitgaaf beter door een rijke (of meer gegoede) kan worden betaald dan door een arme (of minder gegoede); Harreb. I, 149 b; Nest, 30; Handelingen der Stat. Gen. 1913-1914, p. 700: Het (onderhoud eener haven) kan beter van een stad dan van een dorp en beter van het Rijk dan van de provincie; syn. het kan beter van den zak dan van den band (o.a. Bergsma, 27); bij Joos, 210; Rutten, 110 b; Antw. Idiot. 639 en Claes, 106: 't kan beter van de kerk als van den arme (of den disch, de kapelle); in het Antw. Idiot. 1617: 't kan beter van de broek als van den band, het past beter aan een jongen te trakteeren dan aan een meisje; 't kan beter van een schip dan van een schuit (Van Eijk, 122; Harreb. II, 250); in 't fri.: it kin better fen 'e skeaf (schoof) as fen 'e bân (band).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut