Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dor - (uitgedroogd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dor bn. ‘uitgedroogd’
Onl. thor in de plaatsnaam Thorhem (wrsch. Utrecht) [918-948; Künzel 346], ook reeds onl. het zn. thurritha ‘droogte’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. dorre ‘droog’ [1285; CG II, Rijmb.].
Os. thurri ‘dor, droog’, ohd. durri (nhd. dürr) ‘id.’; nfri. toar ‘id.’; oe. þyrre ‘dor, droog’; on. þurr (nzw. torr) ‘dor, droog’; got. þaursus ‘dor, droog’; < pgm. *þurzu- ‘dor, droog’. Dit behoort bij een oud sterk werkwoord pgm. *þersan- ‘drogen, droog zijn’. Hierbij ook het causatieve werkwoord *þarzjan- > ohd. derren ‘droog maken’. Een afleiding van pgm. *þurzu- is → dorst.
Pgm. *þurzu- gaat terug op pie. *trsu-. Verwant zijn o.a. Vroeglatijn torrus ‘droog’, Latijn torrēre ‘verschroeien’, terra ‘aarde’ (zie ook → terras); Grieks térsesthai ‘droog worden’; Sanskrit tṛṣāná-; ‘dorstig’; Avestisch taršnu- ‘droog, vast’; bij de wortel pie. *ters- ‘droog’ (IEW 1078).
Lit.: Heidermanns 1993, 632-33

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dor* [onvruchtbaar door droogte] {dor(re) ca. 1410} oudsaksisch, oudhoogduits durri, oudengels ðyrre, gotisch þaursus, oudnoors þurr; buiten het germ. latijn terra [aarde], oudiers tir [droog].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dor bnw., mnl. dorre, os. thurri, ohd. durri (nhd. dürr), oe. ðyrre, on. þurr, got. þaursus. — Het germ. *þursa-, þurza- gaat terug op idg. *tṛso; vgl. oi. tṛsu ‘begerig’, eig. ‘dorstend naar’, oiers tīr (< *tērso) ‘droog’, lat. terra ‘aarde’ (IEW 1078). — Zie: dorren en dorst.

Uit de germ. vorm *þarza- zijn af te leiden: ohd. darra (nhd. darre) ‘eest’, zw. tarre ‘toestel van latten om iets op te drogen’ vgl. gr. tarsós ‘toestel om iets op te drogen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dor bnw., (ver)dorren ww., mnl. dorre, dorren. = (onfr. thurritha znw. v.), ohd. durri (nhd. dürr), dorrên (nhd. dorren), os. thurri, thorrôn, ags. ðyrre, on. þurr, ode. ww. torre, got. þaúrsus, in alle talen = “dor, droog” (en afgeleide bett.), “verdorren, verdrogen”; in deze bet. ook het ww. got. gaþaúrsnan, on. þorna en met ablaut got. gaþaírsan. Met germ. þers-, þurs- (-z-) — waarnaast þarz- in ohd. darra v. (nhd. darre) “eest”, zw. tarre “toestel van stangen of planken, om iets op te drogen of te bewaren” (met ablaut gr. tarsós “toestel om iets op te drogen”, arm. t‘ąṙ “hoenderrek, stang om iets op te hangen)” en in het hieronder genoemde causativum — vgl. ier. tîrim “droog”, tîr “aarde” (gew. als idg. *têros- opgevat), lat. torreo “ik maak droog, rooster” (een idg. causativum, = oi. tarṣáyati “hij laat dorst lijden”, on. þerra, ohd. derren “droog maken”), terra “aarde”, gr. térsomai “ik word droog”, alb. ter “ik droog”, arm. t‘aṙamim, t‘aršamim. “ik verwelk”, oi. tṛ́ṣyati “hij lijdt dorst”, tṛṣú- “versmachtend, begeerig” (= dor). Zie dorst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dor bijv., Mnl. dorre, Onfra. thurritha (= dorheid), Os. thurri + Ohd. durri (Mhd. dürre, Nhd. dürr), Ags. đyrre, On. þurr (Zw. torr, De. tør), Go. þaursus: overal, uitgenomen Go., met rr geassim. uit rz; van denz. wortel als dorst. Daarnevens met ablaut *þarz-, Ohd. darra = eest, van welks denom. þarrian Fr. tarir komt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dor ‘onvruchtbaar door droogte’ -> Negerhollands dor ‘uitgedroogd, verdroogd, dood, onvruchtbaar, schraal, verschrompeld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dor* onvruchtbaar door droogte 0918-948 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

974. Als zij dit doen aan 't groene hout, wat zal aan 't dorre geschieden?

d.w.z. ‘Komt de rechtschapene om, of heeft de vrome veel te lijden, hoe slecht zal het met de slechten en goddeloozen gaan’? Zeeman, 293. De spreekwijze is ontleend aan Luc. XXIII, 31: Want indien sy dit doen aen het groene hout, wat sal aen het dorre geschieden. Ze komt bij ons in de 17de eeuw voor bij Hooft, Ned. Hist. 174: Maar is dit in den groenen houte geschiedt, hoe wil 't den dorren gaan? Zie ook Harreb. I, 336 b; fr. si le bois vert est ainsi traité que sera-ce du bois sec; hd. wenn das am grünen Holz geschieht, was soll am dürren werden (Wander II, 757); eng. if they do these things in the green tree, what shall be done in the dry.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut