Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

doping - (gebruik of toediening van pepmiddel; het pepmiddel zelf)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

doping zn. ‘gebruik of toediening van pepmiddel; het pepmiddel zelf’
Nnl. doping ‘gebruik of toediening van pepmiddel’ [1930; WNT Aanv.], ‘dope, pepmiddel’ [1954; WNT Aanv. dope].
Ontleend aan Amerikaans-Engels doping [1889; OED], teg.deelw. van het werkwoord dope ‘drogeren, stimulerend of verdovend middel toedienen’. Het bijbehorende zn. dope ‘stimulerend of verdovend middel’ is ouder, met algemene betekenissen als ‘smeermiddel’ [1876; OED], ‘dikke bereide substantie’ [1880; OED], maar ook al specifieker ‘opium’ [1889; OED]. Dit dope is een ontlening aan verouderd Nederlands doop ‘(dikke) saus’ [1623; WNT], zn. bij → dopen 1; de betekenisontwikkeling in het Amerikaans-Engels verloopt van ‘dikke saus’ via ‘dikke substantie’ naar ‘dikke opiumbereiding’.
In de uitsluitend Nederlandse betekenis ‘het stimulerend middel zelf’ is het woord pseudo-Engels.
Dat Engels dope via het Afrikaans afkomstig zou zijn uit een Zuid-Afrikaans inheems woord dop ‘sterke drank om in trance te raken bij godsdienstige bijeenkomsten’ (Van Schoonderwalt 1985) is onwrsch. gezien het verschil in klinkerlengte. Bovendien is de betekenisontwikkeling binnen het Engels en met name het Amerikaans-Engels duidelijk traceerbaar. Wel kent het Afrikaans inderdaad het woord dop ‘dop’ (< Nederlands), met als betekenissen ook ‘vloeistofmaat’, ‘neutje’ en ‘inferieure brandewijn’, in welke laatste betekenis het een verkorting is van dopbrandewyn (Afrikaans-Engels dop brandy [1870; EWA]), oorspr. gemaakt van druiwedoppe ‘druiveschillen’.
dope zn. ‘pepmiddel’, in de chemie ook ‘toevoeging ter verbetering van bepaalde eigenschappen’ [1952; WNT Aanv.], uit Amerikaans-Engels dope ‘id.’. Door de betekenisverruiming van doping tot ‘pepmiddel (in de sport)’ is dope zich in het Nederlands gaan beperken tot ‘harddrugs’; de betekenis ‘stimulerend middel in de sport’ heeft dope afgestaan aan doping. ♦ dopen 2 ww. ‘dope toedienen’ [1964; WNT Aanv.]. Ontleend aan Engels dope ‘stimulerende middelen toedienen’.
Lit.: F. van Schoonderwalt & M. Verkamman (1985) Doping en sport, 13

EWN: doping zn. 'gebruik of toediening van pepmiddel; het pepmiddel zelf' (1930)
ANTEDATERING: Paarden. Maatregelen tegen "Doping" [1903; AHB 5/10
EWN: ♦ dope zn. 'pepmiddel', in de chemie ook 'toevoeging ter verbetering van bepaalde eigenschappen' (1952)
ANTEDATERING: "dope", opium en dergelijke stoffen [1919; Het Oosten (KB) 21/3]
Later: dope 'verdovende middelen' in: een hoekje vrijgemaakt voor "dope" [1921; AHB 28/4] (EWN: 1952); dope 'zeker soort lak' in: "dope" voor vliegtuigen en luchtschepen [1921; NRC 30/1]
EWN: ♦ dopen 2 ww. 'dope toedienen' (1964)
ANTEDATERING: in hoeverre het dopen geoorloofd en raadzaam genoemd kan worden (voor sportmensen) [1932; De Telegraaf (KB) 13/11]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

doping znw. v. ‘toedienen van bedwelmende of stimulerende middelen, o.a. aan paarden op wedrennen’ < ne. dope, eig. een amerikanisme voor het ‘narcotiseren van paarden voor een wedstrijd’; eig. bet. dope ‘een dikke vloeistof als smeermiddel of voor het absorberen van vloeistoffen gebruikt’; het woord gaat terug op nnl. dopen (vgl. Bense 79).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

doping (Engels doping)
Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

dienstweigeraar [iemand die weigert aan zijn militaire verplichtingen te voldoen] (1970). R.G. Broersma publiceert Recht voor z’n raap. Jargonboek voor hippe en andere vogels, met veel neologismen op het gebied van seks, drugs en rock-’n-roll, en politiek. Onder meer het woord dienstweigeraar is opgenomen, voor iemand die weigert aan zijn militaire verplichtingen te voldoen. Andere voorbeelden op het gebied van de politiek: actiecomité, actiegroep, actieprogram, activist, consumptiemaatschappij, cultuurpessimist, drop-out, flowerpower, langharig werkschuw tuig, love-in, omturnen, skinhead, vormingsleider, workshop. Op het gebied van seks: bondage, condoomautomaat, dildo, glijmiddel, groepsseks, partnerruil, pot (‘lesbienne’), prikpil, rampetampen, sadomasochisme, spiraaltje. Op het gebied van drugs: amfetamine, bewustzijnsverruimend middel, blowen, chinezen, clean, dealer, dopen, doping, drugs, druggebruiker, flippen, geestverruimende middelen, hasjroker, joint, junkie, lsd-trip, pot, psychedelica, weed. Muziektermen: alarmschijf, diskjockey, folk-rock, folksong, hitparade, piratenzender, popster, tieneridool.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

doping gebruiken van stimulerende middelen in sport 1930 [Aanv WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut