Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

doorwrocht - (grondig bestudeerd, doordacht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

doorwrocht bn. ‘grondig bestudeerd, doordacht’
Vnnl. in Van goude, en van zije konstich deurwracht ‘waar goud en zijde kunstig doorheen gewerkt zijn’ [1556; WNT], doorwrocht ‘grondig bewerkt’ [1653; WNT], naast een regelmatige vorm in met goud en zilver doorwerkt [1714; WNT zijde II].
Verl.deelw. bij het werkwoord doorwérken ‘in alle delen grondig bewerken’, uit → door- en → werken. De stam wrocht (vaak ook wracht) in de verleden tijd en het deelwoord is door metathese ontstaan uit worcht, met cht uit kt door Primärberührung (zie → denken). In het Nieuwnederlands is deze vervoeging vervangen door het regelmatige werkte/gewerkt.
Van dit werkwoord worden vrijwel uitsluitend de deelwoorden doorwrocht en het jongere doorwerkt gebruikt. In het Vroegnieuwnederlands worden beide vormen door elkaar gebruikt, maar in de jongere taal lijkt zich een differentiatie voor te doen in doorwrocht ‘grondig bewerkt’ en doorwerkt (met) ‘waar iets kunstig doorheen gewerkt is, meestal ter versiering’. Een tweede spoor van de oude vervoeging van werken, die bij het simplex zelf geheel verdwenen is, is het zn.gewrocht.

EWN: doorwrocht bn. 'grondig bestudeerd, doordacht' (1556)
ANTEDATERING: mnl. Al met goude doirwracht 'helemaal met goud doorwerkt' [1479-1517; MNW-P, Marialegenden en –exempelen, dl.2]
Later: so sterc ende wel doorwrocht [1530-50; MNW-P, Historie van den wonderlicken Merlijn]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

doorwrocht* [grondig] {dorewracht [doorwerkt] 1265-1270} van door2 + wrochten.

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯erg̑-2, u̯reg̑- ‘wirken, tun’, u̯erg̑om n. ‘Werk’

Av. varǝz- (vǝrǝzyeiti = got. waúrkeiþ; s. auch gr. ῥέζω) ‘wirken, tun, machen’, Partiz. varšta-, varǝza- m. ‘Wirken, Verrichten von, Tätigkeit’ (npers. varz, barz ‘Feldarbeit, Ackerbau’), varšti- f. ‘Handeln, Tun’, varštva- Adj. ‘was zu tun ist’; arm. gorc ‘Werk’ (mit sekundärem o); gr. ἔργον, ϝέργον ‘Werk, Arbeit’ (= dt. Werk), ἐργάζομαι ‘arbeite’, danach ἐργάτης ‘Arbeiter’ (für *ἐργότης), ἔρδω (vereinzelt ἕρδω) ‘tue, opfere’ (*ϝερzδω, *u̯erg̑i̯ō Hochstufe nach ϝέργον wie in as. wirkian), Fut. ἔρξω, Aor. ἔρξα, Perf. ἔοργα), ῥέζω ‘tue’ (aus ῥέξαι neugebildet, hom. ἄρεκτος ‘ungetan’ umgestellt aus *ἄ[ϝ]ερκτος); ὄργανον ‘Werkzeug’, ὄργια ‘(geheimer) Gottesdienst’, ὀργιάζω ‘feiere Mysterien’, ὀργεών ‘Mitglied einer religiösen Brüderschaft’; ὀργάζω, ion. ὀργάω, ὀργίζω ‘knete, rühre durch, gerbe’ (wie nhd. Teig wirken mit Bed.-Verengerung in der Berufssprache), wozu ἐόργη ‘Quirl’ (wohl redupl. ϝε-ϝόργᾱ);
alb. rregj ‘reinigen’, Mediopassiv rregjem ‘mühen, streben’ (St. E. Mann Lg. 26, 382 f.); abret. guerg ‘efficax’, gall. vergo-bretus ‘oberste Behörde der Aeduer’, auch verco-breto (Pokorny, Vox Romanica 10, 266 f.); mcymr. gwreith ‘Tat’ (*u̯reg̑-tu-), 1. Pl. Imper. acymr. guragun, jünger gwnawn usw. (n statt r durch Einfluß von *gnī- ‘machen’, S. 373), corn. gruen, mbr. gr-(u)eomp (*u̯reg̑- ‘machen’), Lewis-Pedersen S. 336 f.;
as. wirkian (Neubildung nach werk), warhta, ahd. (fränk.) wirkan, wirchen, war(a)hta ‘arbeiten, tätig sein, wirken’; got. waúrkjan (= av. vǝrǝzyeiti), aisl. yrkja, orta, ags. wyrcan, worhte, ahd. (obdt.) wurchen, wor(a)hta ‘wirken, tun, machen, bewirken’, ahd. gawurht f. ‘Tat, Handlung’, got. frawaúrhts ‘sündig’, f. ‘Sünde’ usw., got. waúrstw n. ‘Werk’ (*waúrh-stwa-; ähnlich av. varštva-); ahd. werc, werah, as. werk, aisl. werk n. (= ἔργον) ‘Werk, Tätigkeit, Arbeit’, ags. weorc auch ‘Mühsal, Qual’, weshalb auch aisl. verkr, Gen. verkjar (m. i-St.) ‘Schmerz, Leid’ hierhergehören kann;
ahd. wirken ‘nähend, stickend, webend verfertigen’ = as. wirkian, ags. wircan, und das davon nicht trennbare ahd. werih in der Bed. ‘Werg, stuppa’, āwirihhi, āwurihhi ‘Werg’ zeigen Anwendung unserer Wz. auf die Weberei; s. dagegen Marstrander IF. 22, 332 f. (der Werg und wirken ‘weben’ der Wz. *u̯erg- ‘drehen, winden’ zuteilen möchte); an nhd. Werg erinnert cymr. cy-warch ‘Hanf, Flachs’ = bret. koarc’h, abret. coarcholion gl. ‘canabina’; Marstrander ZcP. 7, 362 sucht darin ein idg. *u̯er-k- ‘drehen’, s. oben S. 1155.

WP. I 290 f., Frisk 548 f.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

doorwrocht* grondig 1653 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal