Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

doorluchtig - (verheven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

doorluchtig bn. ‘verheven’
Mnl. doerlichtegh ‘verheven’ [1290; Stall. I, 363], duerlichtighe ‘verheven’ [1400-50; MNW], doreluchtich [1477; Teuth.], ook dorelichtich, doreluchtig ‘verheven, oprecht, inzicht hebbend’; vnnl. deurluchtigh ‘illuster, verheven’ [1599; Kil.].
Leenvertaling van Latijn perillustris ‘zeer opvallend’, waarbij Latijn per- ‘door ... heen’ is vertaald met → door- en het bn. illustris, inlustris ‘in het licht, lichtend, helder’, als afleiding van Latijn lux ‘licht’ is herkend.
Het woord kon ook de betekenis ‘doorzichtig’ hebben, bijv. vnnl. nopen ende doorluchtigh ‘open en doorzichtig’ [1570; Stall.].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

doorluchtig* [verheven] {dorelichtich, doreluchtich [doorluchtig, doorschijnend, rein, oprecht] 1401-1425} van middelnederlands dorelichten [doorstralen]; het gebruik van doorluchtig in titels is te danken aan vertalende ontlening aan latijn perillustris.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

doorluchtig bnw., eerst laat-mnl. evenals nhd. durchlaucht een vertaling van lat. perillustris. Het woord is afl. van doorlichten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

doorluchtig bnw., sedert het laat-Mnl. Evenals hd. durchlaucht een vertaling van lat. illustris.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

doorluchtig bijv., uit het Hgd. durchläuchtig, van durchlaucht, vertaling van Lat. illustris, met de woorden die beantwoorden aan ons door en luchten = glanzend zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1deurlugtig b.nw.
Wat lug deurlaat.
Uit Ndl. deurluchtig (1658).
D. durchlauchtig (15de eeu).

2deurlugtig b.nw. Ook deurlug.
Verhewe, roemryk, aansienlik, skitterend.
Uit Ndl. deurluchtig (1644), gevorm na Latyn illustris 'helder, belig', omdat mense met bg. eienskappe in die kollig beweeg.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

doorluchtig (vert. van Latijn perillustris)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

doorluchtig* verheven 1401-1425 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal