Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dooien - (smelten van ijs; niet vriezen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dooien ww. ‘smelten van ijs; niet vriezen’
Mnl. des daghes doiet soe ‘overdag smelt ze (= de rivier)’ [1287; CG II, Nat. Bl. D], het doeit ‘?het vriest niet meer’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. ende doen doede ‘en toen hield het op met vriezen’ [1571; WNT], sloegh het aan 't dooyen ‘ging het dooien’ [1642; WNT], doyen ‘smelten van ijs en sneeuw’ [1657; WNT].
Mnd. douwen, doien ‘smelten’; ohd. dewen, dowen ‘verteren, eten, oplossen’ (nhd tauen, met t- in plaats van d-, wrsch. onder invloed van Tau ‘dauw’); oe. þawian (ne. thaw) ‘dooien’; on. þeyja (nzw. töa ‘dooien’); < pgm. *þawjan- ‘dooien, smelten’. Daarnaast de zn.: on. þeyr ‘dooiwind’, þá ‘ijs- en sneeuwvrij land’ (nzw. ‘dooi’, töväder ‘dooi(weer)’).
Wrsch. verwant met Iers ta-m ‘vergaan’, Welsh taw-dd ‘gesmolten, opgelost’; Oudkerkslavisch tajati ‘smelten’ en, met andere achtervoegsels, Latijn tābēre ‘smelten, verrotten’ en Grieks tḗkein ‘smelten, verrotten’, takerós ‘smeltend, smachtend’; bij de wortel pie. *teh2- ‘smelten’ (IEW 1053-54), maar de verbinding met pgm. *þawjan- is toch moeilijk (*teh2u-?).
In het Middelnederlands bestond ook een homoniem werkwoord doyen ‘sterven’, dat bij de wortel van → dood 1 hoort.
dooi zn. ‘het smelten; temperatuur boven het vriespunt’. Vnnl. den doy oft doyinghe ‘het niet meer vriezen’ [1573; Thes.], by vorst of dooy wêer ‘bij vorst of dooi’ [1672; WNT werkstellig]; nnl. dooi ‘het niet vriezen’ [1760-7; WNT]. Afleiding van dooien.
Lit.: Philippa 1992

EWN: ♦ dooi zn. 'het smelten; temperatuur boven het vriespunt' (1573)
ANTEDATERING: mnl. do 'als de vorst voorbij is' [1477; Teuth.]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dooien* [ophouden te vriezen] {do(o)yen, douwen [wegkwijnen, smelten] 1287} middelnederduits doien, douwen, oudsaksisch doian, oudhoogduits doan, douwen, oudfries deja, oudengels ðawian, oudnoors þeyja [dooien]; buiten het germ. latijn tabēre [wegkwijnen, vochtig zijn], grieks tèkein [doen smelten], oudkerkslavisch tajati [smelten], oudiers tám [dood, ziekte, bewusteloosheid], welsh taddi [dooien] → verdwijnen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dooien ww., mnl. dōyen, doyen, douwen, mnd. douwen, dōien, ohd. douwen, dewen, dōan, on. þeyja. Daarnaast het subst. dooi, dat mnl. niet overgeleverd is, maar overeenstemt met on. þeyr ‘dooiwind’ en zelfs oi. tōya ‘water’. — In het Germ. staat naast *þau-j- ook *þawō, zoals in on. þā ‘land waarvan sneeuw en ijs gesmolten zijn’ en daarvan het ww. þawōn in oe. ðawian (ne. thaw). — De germ. stam is een u-verlenging van idg. *tā ‘smelten, zich oplossen’, vgl. gr. tḗkō ‘smelten’, osl. timěno, tina ‘modder’, kymr. tawdd ‘smelten’, lat. tabeo ‘smelten, verkwijnen’ (IEW 1053-4; die hierbij ook het woord desem brengt). — Zie verder: verduwen en verdwijnen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dooien ww., mnl. dôyen, doyen, douwen. Voor de vormen vgl. touwen, tooien. = ohd. douwen, dewen, dôan (nhd. tauen), mnd. douwen, dôien, on. þeyja “dooien, smelten”. Voor ’t zelfde ww. met trans. bet. zie verduwen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

doeje (ww.) dooien; Vreugmiddelnederlands do(o)yen <1287>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dooien, van den Germ. wt. thaw: vergaan, verteren (vgl. ons: verdouwen, van spijzen); mogelijk van den Idg. wt. teq, waarvan ’t Gr. tèkein = smelten afstamt.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dooien* ophouden te vriezen 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut