Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dood - (bn.: niet meer levend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dood 1 bn. ‘niet levend’
Onl. dōd ‘dood’ [1100; Will.]; mnl. dot, doet ‘dood’ [1240; Bern.].
Verl.deelw. met het achtervoegsel *-to (te vergelijken met de ontwikkeling bij → oud en → koud) bij pgm. *dawjan- ‘sterven’, waaruit mnl. doeyen (uitspr. dooien) ‘wegkwijnen’ [1350-1400; MNW], zoals in in verlanghene doeyen ‘van verlangen wegkwijnen, smachten’ [1350-1400; MNW].
Os. dōd; ohd. tōt (nhd. tot); ofri. dād (nfri. dea); oe. dēad (ne. dead); on. dauðr (nzw. död); got. dauþs; < pgm. *dauda- ‘dood’. Dit bn. staat met grammatische wisseling naast het zn.dood 2; in het Nederlands zijn beide woorden weer samengevallen. Bij pgm. *dawjan- horen verder nog: os. dōian; ohd. touwan; on. deyja (nzw. , ne. die); alle in de betekenis ‘sterven’.
De verdere herkomst van pgm. *dawjan is onzeker. Verwant zijn eventueel Oudkerkslavisch daviti ‘wurgen’ (Russisch davít ‘drukken, persen’), en Oudiers duine (Welsh dyn) ‘mens, sterveling’, Litouws dvẽsti ‘aan zijn eind komen’ en misschien ook Latijn fūnus ‘begrafenis’, die lijken te horen bij de wortel < pie. *dheu- ‘verdwijnen, bewusteloos raken, sterven’ (IEW 260-1). Bij deze wortel hoort misschien ook, met uitbreiding, het werkwoord → verdwijnen.
Het Middelnederlandse werkwoord doeyen ‘wegkwijnen’ is later verdwenen, wrsch. door de homonymie met → dooien.

EWN: dood 1 bn. 'niet levend' (1100)
ANTEDATERING:dōtnest 'dood nest' in: in tercio loco qui dicitur Datnesta 'in de derde plaats, die dōtnest genoemd wordt' [820-22 (kopie 941); ONW dōt]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dood2* [bn.: niet meer levend] {doot 1237} oudsaksisch dōd, oudhoogduits tōt, oudfries dād, oudengels dead, oudnoors dauðr; oorspr. een verl. deelw. van middelnederlands dooyen (vgl. dood1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dood 2 bnw. mnl. doot, os. dōd, ohd. tōt, ofri. dād, oe. dēad, on. dauðr, (vgl. oernoors weladAude ‘door list dood’ op inscr. van Björketorp c. 650, zie AEW 74). Grondvorm *dauða-, met gramm. wissel. naast *dauþu-. — Zie: dood 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dood II bnw., mnl. doot (d). = ohd. tôt (nhd. tot), os. dôd, ofri. dâd, ags. dêad (eng. dead), on. dauðr, germ. *ðauða- ”dood”. Deelwoord-formatie bij ðau- (zie dood I). In sommige oudgerm. talen worden de stammen *ðauþu- en *ðauða- reeds niet goed meer uit elkaar gehouden. Andere deelwoord-vormen in got. diwans “sterfelijk” (e-vocalisme), on. dâinn “dood” en ier. duine “sterveling, mensch”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dood 2 bijv.(overleden), Mnl. doot, Os. dôd + Ohd. tôt (Mhd. en Nhd. id.), Ags. déad (Eng. id.), Ofri. dád, On. dauđr (Zw. död, De. død), Go. dauþs, met Germ. suff. -đa (Idg.-tó) van denz. wortelgraad als dood 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

doed (bn.) niet meer levend; Aajdnederlands dod <1100>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

dood bn., (ook:) uitgeschakeld, uitgerangeerd, van het toneel verdwenen. Corrie, weet je hoe ik, jaar in jaar uit, dacht dat ik een oude man was, dat ik dood was? (Vianen 1972: 84). Lachmon is dood = L. is nergens meer; het was de kreet na zijn verkiezingsnederlaag in november 1973. - Etym.: Vgl. S dede = dood, ook in deze SN bet.
— : de dood, zeskantige vlieger (féfiprinta*), zwart met een doodshoofd erop. - Opm.: Zie voor de namen van de andere vliegers féfiprinta*.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Dood Bnw: Segsw.: So dood soos ’n mossie. In Ndl. lui die uitdrukking: Zo dood als een pier. – Corn. en Vervl. 1909: Zoo dood als ’en musch: Joos 449: Id.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Laat de doden hun doden begraven, geef zaken die de levenden betreft zonodig voorrang boven de zorg voor de doden.

Deze aanmaning gaat terug op Matteüs 8:21-22, en heeft betrekking op de prioriteiten van een discipel van Jezus: 'Een ander, een van zijn leerlingen, zei: "Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven." Maar Jezus zei tegen hem: "Volg mij en laat de doden hun doden begraven"' (NBV). De toepassing betreft nu doorgaans keuzes op een ander vlak.

Liesveldtbijbel (1548), Matteüs 8:22. Maer Jesus sprac tot hem Volcht ghi mi ende laet die dooden haer dooden begrauen.
Inderdaad leken de doden de doden te moeten begraven, want het leven ging verder, ofschoon niet altijd van harte. (A.F.Th. van der Heijden, De sandwich. Een requiem, 1989, p. 17)
Werd de rancune hem toch nog te machtig, dan zou hij tegen zichzelf kunnen zeggen: 'Ho, die vent is dood. Laat de doden de doden begraven'. (S. Vestdijk, Op afbetaling, 1968 (1952), p. 214)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dood, van den Idg. wt. dhau (deelw.: dhauto) = sterven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dood ‘niet meer levend’ -> Berbice-Nederlands doto ‘niet meer levend’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

O, als ik dood zal zijn [gevleugeld woord] (1895). J.H. Leopold (1865-1925) publiceerde in 1895 het titelloze gedicht dat begint met de woorden “O, als ik dood zal, dood zal zijn/ kom dan en fluister, fluister iets liefs”, die vaak worden aangehaald in rouwadvertenties.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dood* niet meer levend 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

360. Een broer(tje) aan iets dood (of verloren hebben),

d.w.z. het land aan iets hebben, van iets niets willen weten; bang zien aan iets (vgl. Ndl. Wdb. II, 970), eig. gezegd van eene ziekte, waaraan een broertje gestorven is, zoodat de ander er bang voor geworden is. In Zuid-Nederland: eenen (n)oom van iets dood hebben, bij ondervinding weten dat iets niet pluis is (De Bo, 749 en Joos, 78). In het fri. dêr ha'k in broer oan forlern, dat doe ik met tegenzin. Vgl. Willem Leevend II, 127: Die haar foppen wil, moet vroeg opstaan, en daar heeft myn Nigt een broêr aan verlooren; C. Wildsch. III, 267: Die vrome lui hebben doorgaands aan geeven een broêr verlooren; Harreb. I, 92 a; Ndl. Wdb. III, 2846; VI, 226; II, 970; Nest, 60; Falkl. IV, 118; Landl. 76; Amst. 17; Bergsma, 71: An't wark hef hi 'n breur(tien) dood, verloren.

449. Zoo dood als een pier,

d.w.z. voor goed, geheel en al dood; eig. zoo dood als een pier, een aardworm, die slap aan den haak van een hengel hangt. In Vlaanderen zegt men volgens Joos, 14: dood als een pier, een musch, een muis, een kieken; Antw. Idiot. 366: zoo dood as 'ne pier, als 'ne steen; in hd. dialecten vindt men volgens Wander, IV, 1252: so däud as 'n Hucke (Kröte, huckedäud); so daud as 'n Méus; todt wie eine Sode; hd. mausetot; in het Engelsch: as dead as herring, mutton, ditch-water, a doornail, a smelt, enz.; in het Friesch: so dea as in loarte (drol), as in pier. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; zie Gew. Weuw. II, 48: t Kind is dood als een Pier; zie verder Langendijk, Wederz. Huw.bedrog, 827; Tuinman II, 235; Sewel, 637; Halma, 503; P.K. 79; Boekenoogen, 747: hij is pier of pierdoodIn Taal en Letteren IX, 224 wordt de uitdr. ten onrechte in verband gebracht met het lied van Pierlala, daar deze een half uur na de begrafenis weer uit de kist kroop en dus niet dood was (Willems, Oude Vlaemsche Liederen, 300).; bij Querido, Jord. 298 wordt pierelemortes gevonden in den zin van het znw. dood. Vgl. Handelsblad, 19 April 1923 (O) p. 2. k 3: Als de heer Braat niet in Holland maar in Roemenie was geboren, zou hij vermoedelijk Bratianu heeten en bijgevolg een vermaard (zij het ook pierdood) staatsman zijn. In 't Oostfri. so dôd as 'n pogge (kikvorsch) of poggedod.

450. Op iets dood blijven (of) vallen,

in de uitdr. hij blijft of valt dood op een halven cent, d.w.z. ‘hij is door en door gierig; om een halven cent zou hij een koop laten varen, van een onderneming afzien (V. Dale); hij ging liever dood dan een halven cent op te offeren. Bij Van Effen, Spectator XII, 58 lezen wij: Zo een lafhartig gedrag van luiden, die in het dingen, op een duit dood zouden blyven, kan nergens anders uit spruiten, zal men zeggen, dan uit een verfoeielyke gierigheid. Synoniem hiermede is de bij Campen, 54 voorkomende uitdr. hy solde wel op een luys doot blyven, ook vermeld door Sartorius II, 9, 80 en III, 8, 39: Hy blyft op een luys doot, de iis, qui pauperum modo tenuiter vicitant; Brederoo I, 224, 322; De Brune, 467; Tuinman I, 168; II, 114; Ghetto2, 23: Hij is betoegh (rijk), maar ie valt dood op een halvie; in Nest, 74: Ik moet op een halve roode cent doodblijven. In Zuid-Nederland zegt men op een oordje, veur 'ne(n) (halve) cent dood blijven (De Cock1, 302-303; Waasch Idiot. 790; Claes, 45; Antw. Idiot. 366) en spreekt men van een oordjedood, gierigaard (Volkskunde XV, 146); in het Hagelandsch: oep i negemännke (een duit) doeëd blijve (Tuerlinckx, 410; Volkskunde, XV, 176); nd. dä blieuw op em Penneng düd (Eckart, 403); fri. hy falt dea op in stûr (stuiver).

451. Ik mag dood vallen (of ik val dood) als....

Eene sterke verzekering der waarheid van hetgeen men beweert (zie o.a. Lev. B. 191; Sjof. 219); eveneens in Zuid-Nederland bekend, waar men ook zegt: ik wil eeuwig branden, als hetgeen ik beweer niet waar is. In Noord-Holland: ik laat me teren (Boekenoogen, 1363); in de 17de eeuw: ik laat me wippen, als (Gew. Weuw. III, 80); in de 18de eeuw: ik wil me laten kortooren (Halma, 284); hd. ich will Matz (of Hans) heiszen; du sollst mich einen Schelm heiszen; ich will des Todes sein, wenn; eng. may I die of I'll be shot, hanged if; I may drop down dead, if (Prick); fri. ik mei dea del falle as.

Vgl. nog het lat. pereo; mnl. van Gode moetic hebben ondanck; up een rat doet mi legghen eest niet waer; oft ic't late, dat ic riese; condijs mi dies vroet ghemaken, ic wille dat ghi mi Hughe heet; ic leghs minen hals teghen den dinen, dat; ic wille mijn kele windewait en es die coninc niet hier bi; ndl. mijn kop er af, er den hals onder verzetten (Ndl. Wdb. V, 1655); je mag me kielhalen; God mag me straffen; mag mie de bok steuten (Molema, 505 b); ik laat me rekken (van hier tot Rome); 'k laat me ophangen (fr. je veux être pendu), me kappen, mijn kop voor mijn voeten, 'k laat me kisten, villen (Brederoo II, 100, 2465: Vildtme, doen ick het weer); 'k wil verzinken, verdonderen, creveeren, crepeeren, barsten, 'k wil verdoemd zijn, 'k wil (eeuwig gloeiende) verdoemd zijn, de duivels mogen mij oppakken, Ons lieve Heer mag mij rollebollen in 'n papieren zak, als 't niet waar is (Waasch Idiot. 823 b); ik mag verdaard zijn; 'k wou dat dit brood in mijn keel bleef steken (hd. dass mir das Brot im Halse stecken bleibe; fr. que ce morceau de pain m'étrangle), 'k wil da'k vergif dronk, een koolken op iets dorren inslikken ('t Daghet XIII, 48), enz. Zie vooral De Cock1, 105 vlgg.; Schrader, 302.

457. Iemand doodverven met iets,

d.w.z. iemand als den dader van iets beschouwen; ook van een ambt of een post gezegd, hem daarvoor bestemd houden. Onder de doodverf (eng. dead-colour) verstaat men de eerste verf, die een schilder gebruikt, de grondverfKiliaen: dood-verwe, color lividus, luridus.. Staat een schilderij in de doodverf, dan is zij slechts in de grondverf geschilderd; vandaar dat doodverven de beteekenis kon aannemen van in ruwe trekken aangeven, schetsen; ook met woorden schetsen of benaderd weergeven en vandaar voorbestemmen, vooral bij gerucht. Vgl. Van Effen, Spectator VI, 126: Een bevallige Juffer, waarvan niets dan het hoofd opgeschilderd en het overige slechts gedoodverft is; IX, 61: Wel bewust dat een goed gedeelte van dat volkje (dienstboden) reeds op de nominatie staat, en als gedoodverwt is, om op zyn beurt luiden van fatsoen te worden. Zie ook Sewel, 183: Doodverw, schets, first draught; doodverwen, to make the first draught with a pencil; een schildery doodverwen, to trick a picture; Halma, 117: Doodverwen, mettre les premières couches sur un tableau; 154: Hij is al gedoodverfd: hij loopt al in 't oog, il est à peu près découvert; Harreb. III, 19 b; Ndl. Wdb. III, 2881-2883.

798. De doode hand,

voorkomende in goederen in de doode hand, dat zijn goederen die aan een instelling behooren en zoodoende niet kunnen vererven. ‘De benaming schijnt wel te zien op de onvererfbaarheid en onvervreemdbaarheid van de goederen en bezittingen der geestelijkheid, waardoor deze ten eeuwigen dage aan 't levende verkeer zijn onttrokken’. Zie het Ndl. Wdb. V, 1776; Mnl. Wdb. II, 299; III, 99; Stallaert I, 555; fr. mainmorte; hd. die tote Hand; eng. mortmain en dead hands. In de 16de en 17de eeuw werd doode hand ook gebezigd voor een overledene als bezitter; erflater; bezit van een overledene, erfdeel. Zie Ndl. Wdb. III, 2845.

1182. Tegen de (doode) klippen aan (of op),

geweldig, uit alle macht, in hooge mate; eig. in zulk een hooge mate als de klippen zich verheffen; vgl. torens hoog liegen. Zie Harreb. I, 415: hij liegt tegen de klippen aan, d.i. de klippen weerkaatsen zijne leugens; tegen den ouden dood an of in Zuid-Nederland tegen penningzestien op (De Cock2, 309); Boekenoogen, 452: tegen de (of alle) klippen an, uit alle macht, brutaal, zonder zich aan iets te storen, zooals eten, stoken tegen de klippen an; 't Daghet XII, 128: liegen tegen de klippen der hel op; in 't Friesch: lige, sûpe, pronkje tsjin 'e klippen oan; Van Dale: tegen klippen en bergen op liegen; tegen alle klippen liegen; De Arbeid, 14 Febr. 1914, p. 1 k. 1: En opgeschept en gebluft werd er tegen de klippen op; Nkr. V, 2 Sept. p. 3: Dat is een leven! Je eet hier tegen de dooie klippen op en het kost je geen cent; Schakels, 71: Hij valt over alles..... redeneert tegen de dooie klippen op; Nkr. IX, 20 Febr. p. 6: Drie paar sokken in ééne week, of zes paar handmoffen voor de soldaten dat was breien tegen de klippen ân; Twee W.B. 83: Daar mot je werken man tegen de klippe an; Nw. School, V, 309: Dan maar woorden lezen tegen de klippen op; VIII, 441: Al meer dan een jaar had ik tegen de klippen aan gesollisiteerd. Vgl. syn drinken tegen de sterren op (in Volkskunde XV, 180); ook vloeken, kijven tegen de sterren op, in hooge mate (Waasch Idiot. 628 b).

1582. Zich verblijden met een doode musch,

d.w.z. eig. zich verblijden met een doode musch in de meening, dat ze leefde; zich verblijden met iets, dat eig. niets beteekent; meenen, dat men iets werkelijk bereikt heeft, terwijl dit toch volstrekt niet het geval is; lat. carbonem pro thesauro invenire. In de 18de eeuw is de uitdr. te vinden in V. Janus I, 144; III, 36; het Boere-krakeel, 53:

 Hoe kunnen zig de luy vermaeken
 Mit doode Mossen, als men zegt!
 Eer dat men van den staet der zaeken
 Nae waerheid, iens is onderrecht.

Harrebomée II, 71 b: Hij verblijdt zich met eene doode mees (of muschW. Kist, Eduard van Eikenhorst (Haarlem, 1809-1811) 3, 259: Ik heb mij dan, in mijne gedachten, met eene doode mees verheugd; vgl. Everaert, 66: Wien dat lydt ghebrec, ghy en achs een meese (waar mees gebezigd is in den zin van iets van geringe waarde).); Falk. VII, 78: Zal 'k vader en moeder lekker maken met een dooie mosch?; Nkr. III, 18 April, p. 4: 't Is klaar als water, dat we ons met een dooie musch verblijden; VII, 10 Mei, p. 2; Het Volk, 20 Febr. 1914, p. 2 k. 3: Maar gelukkig het is niet waar en de heeren maken zich blijde met een doode musch; 14 April 1914, p. 13 k. 4: Weer zal de bourgeoisie zich verheugen met een doode musch als zij straks de verslagen der debatten leest. In Zuid-Nederland is ook bekend: Twisten voor 'nen dooden hond (of een doode musch), twisten om eene kleinigheid (Joos, 91) en in Antw. iemand blij maken met 'n doo(de) mus(ch), met eene nietigheid (Antw. Idiot. 252; ook in Limb. volgens 't Daghet XIII, 48); fri. hy formakket him mei in deade mosk; Afrik. hy verheug hom oor 'n dooi mossie; vgl. eng. to find a mare's-nest.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut