Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dood - (zn.: toestand waarin men niet meer leeft)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dood 2 zn. ‘eind van het leven, levenloosheid’
Onl. dōt, dōth ‘de dood, het sterven’, fan dōde ‘van de dood’ [10e eeuw; W.Ps.], dōth ‘de dood’ [1100; Will.]; mnl. dot, doet ‘id.’.
Afleiding met het suffix pgm. *-þu (< pie. *-tu) van pgm. *dawjan- ‘sterven’, waarvan ook het bn.dood 1 is afgeleid.
Os. dōth, ohd. tōd (nhd. Tod); ofri. dāth, oe. dēaþ (ne. death); on. dauðr (nzw. död); got. dauþus; < pgm. *dauþu- ‘dood’.

EWN: dood 2 zn. 'eind van het leven, levenloosheid' (10e eeuw)
ANTEDATERING: dot '(het) overleden zijn, (de) dood' [801-1000; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dood1* [zn.: toestand waarin men niet meer leeft] {oudnederlands dot, dōt 901-1000, middelnederlands doot, doet} oudsaksisch dōth, oudfries dāth, oudengels deað, oudnoors dauðr, gotisch dauþus; van het ww. middelnederlands do(o)yen, douwen [wegkwijnen] (vgl. dooien). De uitdrukking om de dooie dood niet [zeer beslist niet] wil eigenlijk zeggen ‘al zou het mij het leven kosten’. De uitdrukking het is er de dood in de pot [alle levendigheid is verdwenen] is ontleend aan 2 Kon. 4:41: ‘O man Gods, de dood is in de pot’. De uitdrukking hij ziet eruit als de dood van Ieperen [hij is buitengewoon bleek en mager] is mogelijk ontstaan naar aanleiding van een schilderij van de dodendans dat wellicht in Ieperen heeft bestaan, zoals op diverse plaatsen in Europa. Vgl. bv. aussehen wie der Tod von Basel naar een schilderij van Holbein.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

de dood in de pot

Wanneer het ergens een saaie boel is, wanneer alle opgewektheid en levendigheid ontbreekt, plegen wij te zeggen: ’t Is hier de dood in de pot. Wij bedoelen alleen: het is er doods, vervelend. De uitdrukking wil echter oorspronkelijk heel wat anders zeggen. Zij is namelijk letterlijk bedoeld en betekent: het eten is vergiftigd. Die oorspronkelijke betekenis vinden wij in het Bijbelverhaal dat is opgetekend in II Koningen IV:40. Daar wordt verhaald dat de profeet Elisa ten tijde van een hongersnood moeskruiden liet lezen en koken. Maar een jongen deed er ‘kolokwinten’ in ‘en sneed ze in de moespot, want zij kenden ze niet’. Maar toen zij aten, merkten zij dat het eten vergiftig was en riepen: ‘Man Gods, de dood is in de pot.’ En zij konden het niet eten.

In onze taal, die wemelt van woorden, uitdrukkingen en zegswijzen aan de Bijbel ontleend, is deze zin van het gezegde verloren gegaan. Onder invloed van het woord doods is slechts die van saai-in-de-hoogste-mate overgebleven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dood 1 znw. m., mnl. doot (meestal v.), onfrank. dōt m., os. dōth, ohd. tod, ofri. dāth, oe. dēað (ne. death), on. dauðr, got. dauþus. — Het germ. *dauþu- is een verbaalabstract bij het ww. *diwan: mnl. doyen, douwen ‘sterven, wegkwijnen’, os. dōian, ohd. touwen, on. deyja (vgl. got. af-dauiþs ‘uitgeput’). — oiers duine ‘mens’ (eig. ‘de sterfelijke’), misschien ook lat. funus ‘begrafenis’ (IEW 260). — Zie: verdwijnen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dood I znw., mnl. doot (d), NB. gewoonlijk v. = onfr. dôt (d), ohd. tôd (nhd. tod), os. dôth, ofri. dâth, ags. dêað (eng. death), on. dauðr, gew. dauði, got. dauþus alle m. “dood”. Afl. van germ. ðau-, waarvan ook mnl. dō̆yen, douwen “sterven, wegkwijnen”, ohd. touwen, os. dôian, on. deyja “sterven” (eng. to die uit het Noorsch); got. af-dauiþs “uitgeput” van de causatief-formatie *ðôujanan, misschien = obg. daviti “worgen”; hierbij volgens sommigen verder lat. fûnus, fônus “begrafenis” en phryg. < dáos “wolf”, lyd. Kan-daúlēs (“hond-worger)”, av. dav- “benauwen”. Wsch. moeten we twee wortels dhā̆xu- aannemen, een = “sterven”, de andere = “drukken”. Vgl. dood II, ook verdwijnen.

[Aanvullingen en Verbeteringen] dood I. Adde: achterh. dooien “sterven”. — Van idg. dhā̆xu- “drukken” nog arm. dag “dringend” (van woorden)?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dood I znw. Bij mnl. dôien, douwen enz. te vermelden: achterh. dooien ‘sterven’ (v. Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dood 1 m. (het sterven), Mnl. doot, Onfra. dôt, Os. dôth + Ohd. tôt (Mhd. id., Nhd. tod), Ags. déad (Eng. death), Ofri. dáth, On. dauđi (Zw. död. De. død). Go. dauþus, met Germ. suff. -þu (Idg. -tu). van den st. graad van Germ. wrt. deu, Idg. wrt. dheṷ. Van denz. wortel Go. diwans = sterfelijk, On. deyja (waaruit Eng. to die), Ofri. déja, Os. dôian en dôan (Mnl. doyen en douwen), Ohd. touwen (Mhd. töuwen) = sterven, vergaan + Osl. daviti = verworgen, Lit. do͂vyti = kwellen. Zoo bleek als de dood van Ieperen of Bazel of Lubeck of Dessau, nl. als de voorstelling van den dood in een doodendans, en voor Ieperen als de dood die tweemaal op de poorteclocke” voorkomt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

doed (zn.) dood, einde van het leven; Aajdnederlands dot <901-1000>.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Dood snw. Segsw.: Hy is net goed om die dood te gaan haal, d.w.s. baie langsaam. Vgl. Malherbe 13. – Joos 790: “Spr.: Hij is maar goed om veur de dood te gaan, op eenen trage.” Joos, Schatten 110: Zou men niet zeggen hij gaat om de dood?(= ziet eens hoe traag hij gaat). – De Jordaan 104: “Och... dit is t’r ’n meroakel... san hèrd as je dèn opschiet: - Goeie lang om de daud te hoale... zuchtte somber Neel.” Vgl. ook Sanders-Wülfing 707a.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dood (over de doden niets dan goeds) (vert. van Latijn de mortuis nil nisi bene); (zwarte --) (vert. van Duits schwarzer Tod)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De dood in de pot, toestand waarin geen creativiteit meer bestaat; dooie boel.

Deze verbinding staat als titel vermeld boven de geschiedenis waaraan zij is ontleend in 2 Koningen 4:38-41. Er heerst hongersnood, en de profeet Elisa geeft de andere profeten bevel een grote kookpot te vullen met groenten en kruiden die zij van het veld verzamelen. Als zij beginnen te eten schrikken ze van het ongewone en naar zij vrezen giftige gerecht, en roepen uit: 'Godsman, de dood is in de pot!' (NBV). Hierop maakt Elisa het voedsel met een hand meel eetbaar en onschadelijk.
De oorspronkelijke betekenis 'Er zit vergif in het eten' heeft een aanmerkelijke verandering ondergaan; van fysieke doodsdreiging is nu geen sprake meer. Ook wordt de volzin niet meer gebezigd, maar wordt de dood in de pot alleen nog predicatief gebruikt als kwalifictatie: het is er of dat betekent de dood in de pot e.d. In de oudste vindplaats, in de Liesveldtbijbel, ontbreekt overigens ook het gezegde.

Liesveldtbijbel (1526), 2 Koningen 4:40. Ende doen [...] si vanden moes aten, riepen si en seiden: O Man Gods, den doot inden pot, want si en constens niet geten. (Statenvertaling (1637): als NBG-vertaling.)
Het opzeggen van het vertrouwen in ieder individu en ieder ideaal betekent de dood in de pot voor onze beschaving. (Liberaal Reveil, 1993, nr. 3)
Onderwerp: Van der Louw 'Het CDA in de regering, is de dood in de pot'. (Journaal, maart 1993)
Alles wat ook maar een beetje werkelijke vernieuwing zou betekenen, dat lag niet zo goed bij hem [minister-president Drees]. Daardoor kreeg je op den duur de dood in de pot. (J. Jansen van Galen en H. Vuijsje, Drees. Wethouder van Nederland, 1980, p. 142)

Dood en verderf, ellende door dood, vernieling e.d., vaak genoemd als bewust door anderen veroorzaakt, bijvoorbeeld in oorlogssituaties, en dan soms verbonden met zaaien.

Dood en verderf komt als verbinding pas sinds de 19e eeuw in het Nederlands voor. Zij komt in de NBG-vertaling alleen voor in Ester 9:5. In de NBV is dit slechts een van een hele reeks vindplaatsen, vrijwel steeds met zaaien: 'De Joden sloegen met het zwaard op al hun vijanden in en zaaiden dood en verderf, ze deden met hun belagers wat ze wilden.' Het is mogelijk dat het verwante dodelijk verderf 'dodelijk letsel', dat alleen in de Statenvertaling is aangetroffen volgens het WNT, als voorbeeld heeft gediend. De betekenis heeft, ten dele in samenhang met de wijziging van de constructie, een enigszins gewijzigde inhoud gekregen.

Statenvertaling (1637), Exodus 21:22. Wanneer nu mannen kijven, ende slaen eene swangere vrouwe, dat haer de vrucht af-gaet, doch geen dootlick verderf en zy, so sal hy sekerlick gestraft worden, gelijck als hem der vrouwen man oplegt.
De krokodil voorspelt de dood en het verderf die de mensgemaakte oorlog naar het eiland brengt. (De Groene Amsterdammer, 3-3-1999, p. 33)
De nachthavik zaait opnieuw dood en verderf, maar Joegoslavië zal hem vernietigen. (Trouw, 7-4-1999, p. 5)

Dood, waar is uw prikkel? Retorische vraag die uiting geeft aan het ontbreken van angst voor de dood.

Deze woorden worden uitgesproken door Paulus in 1 Korintiërs 15:54-55, 'De dood is verzwolgen in de overwinning. / Dood, waar is uw overwinning? / Dood, waar is uw prikkel?' (NBG-vertaling). Zij vertolken de opvatting dat door Jezus' kruisdood de zonde en de dood overwonnen zijn. In moderne toepassingen kan deze christelijke betekenis ontbreken. De NBV vertaalt met angel.

Liesveldtbijbel (1526), 1 Korintiërs 15:55. Den doot is verslonden in die ouerwinninge, doot waer is uwen prickele Helle wair is v victorie.
[Over werk van Achterberg:] Het éne lied moet gezongen worden. Ars longa, vita brevis. Maar de dood raakt aan dit alles niet. Dood, waar is uw prikkel? (In de Waagschaal, 4-5-1953)
Het is verschrikkelijk als mensen alleen nog plat kunnen liggen, pijn hebben en geen uitzicht, maar het is zeer de vraag of lijden zinloos is. Ik kan me best voorstellen dat mensen dat tegen een andere achtergrond plaatsen. Dood, waar is uw prikkel? Die vraag is in de euthanasie verdwenen. (Hervormd Nederland, 23-2-1980)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

dood. In het Vroegmiddelnederlands noteren wij in de Statuten van Beggaarde te Brugge [1292] zweren bi ons heren doed jof bi ons heren lechame of bi sire macht ‘zweren bij de dood van onze Heer of bij zijn lichaam of bij zijn macht’. Uit het Middelnederlands kennen wij de eedformule bider doot ons heren ‘bij de dood van Onze-Lieve-Heer’. Die formule ontwikkelde zich tot krachtterm, stoplap en uitroep. Deze eed en de variant bi des Heren doot, die vooral hoogfrequent was vóór de 17de eeuw, komen wij in verbasterde vorm tegen in bij der doot, bij den doot, gans doot en o doot. Daarbij variëren, zoals wij zien, de spelling van doot en bij der. De Baere (1940: 117) rekent tot deze groep ook by gans moort ‘bij de moord op Gods Zoon’. O doot, doodt is een elliptische vorm van bij Gods dood. In de 17de eeuw (Huygens) kon men ook zweren op men doot ‘bij mijn dood’. De verwensing je kunt om mij dood donderen! ‘bekijk het maar, je kunt me wat’ drukt minachting en overschilligheid uit. Dezelfde intenties drukt de verwensing krijg de dood! uit, evenals de Vlaamse vloek mijn dood Gods! Vgl. Mullebrouck (1984). Overigens zijn sterven en doodvallen bijna-synoniemen. Op de Graffiti Wall van Internet vond ik ga gauw dood! Ook het volgende verwensingsvers trof ik daar aan: docje, docje, docje// Val snel van je stokje,// Liever laat dan nooit,// Ga toch snel eens dood. In het oosten van ons taalgebied komen voor donder dood! en zou je even heel snel dood willen vallen!doodvallen, kunnen, lopen, vallen, ziel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dood ‘toestand waarin men niet meer leeft’ -> Indonesisch dut ‘toestand waarin men niet meer leeft’; Negerhollands dood, dōt, dod, doot ‘toestand waarin men niet meer leeft’; Berbice-Nederlands doti ‘toestand waarin men niet meer leeft’; Skepi-Nederlands dut ‘toestand waarin men niet meer leeft’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dood* toestand waarin men niet meer leeft 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

dood of de gladiolen, de, alles-of-niets-instelling van een sportman; erop of eronder. Deze slanguitdrukking werd wellicht gelanceerd door Gerrie Knetemann.

Wielrenners kunnen het treffend zeggen: de dood of de gladiolen. (Nieuwe Revu, 10/08/89)
Maar in het traditionele secondenspel dat de vijfdaagse Ronde van Nederland altijd is, kunnen ze over de dood of de gladiolen beschikken. (Trouw, 30/08/96)
Het is met mij net als met een wielrenner: de dood of de gladiolen. En ik ga altijd voor de gladiolen. (Trouw, 19/12/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

455. Als de dood zijn voor,

ook zoo bang als de dood zijn voor, zeer bang zijn voor, eig. wel zoo bang als voor den dood zijn voor; zie Ndl. Wdb. III, 1830. In de 18de eeuw komt de zegswijze voor in W. Leevend IV, 92: Die zelfde meid is zo bang als de dood van een groote vlieg. Ook alleen als de dood zijn, bang, verlegen zijn; o.a. in Sjof. 244: Wat was ze toch bang voor die vent, hè? Ze was as de dood voor 'm. Het tegengestelde is doodelijk van iets of iemand zijn, dol op iets of iemand zijn, eig. doodelijk verliefd zijn.

448. Om den (dooden) dood niet.

Gewoonlijk verbonden met het ww. willen in den zin van volstrekt niet, in geen geval, al moest men er anders ook om sterven; zie Tuinman II, 236: Hij wil dat om den dood niet laten (of doen). ‘Dit drukt uit eene zeer groote onverzettelykheid, om iets te doen. 't Is dan te zeggen, hy wil dat niet nalaten, al zou het hem 't leven kosten’. Vgl. Breughel, Boccat. 160 b: Waerom ick hem om de doot sulcken overdaedt niet en soude willen doen; Paffenr. 74: Om mijn dood niet; Van Effen, Spectator VI, 110: Onze Pater, die om de dood niet hebben wil, dat ik myn neus in den Bybel steek; IX, 131: Hy maakte 't hem zo bang, dat hem 't zweet aan alle kanten uitbrak; hoewel de ander het om de dood niet op wou geven; W. Leevend I, 88: Ik zat zonder Bril te leezen; want ik hou om de dood niet van brillen; Sjof. 249: Vraag-ie nou is 't zoo lollig? ....om de dood niet. Zie ook het Ndl. Wdb. X, 137; 140; III, 2832 en vgl. het fri.: om 'e dead net!; gron.: om de dood nijt (Molema, 83 b); Westph.: innen dod nitt (Woeste, 53 b). Syn. om den hooi niet (in W. Leev. VIII, 28); om den donder (Nest. 8; P.K. 92), bliksem, duivel, hond niet (Molema, 83); in Zuid-Nederland: veur de dood niet.

452. De dood in den pot,

Men zegt dit van eene plaats of een gezelschap, waar men zich gruwelijk verveelt, omdat het er zoo stil en doodsch is; ook als een tak van handel, wetenschap of kunst niet bloeit. Volgens Zeeman, 159 en Laurillard, 41 moet de oorsprong dezer zegswijze gezocht worden in het bijbelverhaal, dat men vindt opgeteekend in 2 Kon. 4:39-41: Ende het geschiedde als zy aten van dat moes, dat zy riepen, ende seyden, Man Godts, de doot is in de pot, ende konden 't niet etenIn Taal en Letteren IX, 206 wordt gedacht aan den dood op het ganzebord.. Vgl. Bank. II, 21; Janus, 153; Harreb. I, 145 a; Nkr. VI, 22 Juni p. 6; IX, 27 Maart p. 5; Telegraaf 22 Mei 1918 (A) p. 2 k. 4: In de Nederlandsche schilderkunst is het de dood in de pot.

453. Hij ziet er uit als de dood van Ieperen.

‘Dat wil zeggen: het is een zeer mager en vervallen persoon. Dat spreekwoord zou zijnen oorsprong verschuldigd zijn aan eene in de tot het koningrijk België behoorende West-Vlaamsche stad Yperen gewoed hebbende pest, die aanleiding gaf tot den gepersonificeerden dood, in al zijne afschuwelijkheid. Dat was de dood van Yperen, die thans alleen in zijne volgelingen bestaat’Harrebomée I, 145 en De Jager, Archief IV, 39-40.. Met het oog op de nederd. uitdrukking he süt ût as de Dod van Lübeck (zie Eckart, 27) komt het mij waarschijnlijker voor, dat we moeten denken aan eene schildering van een doodendans, waaraan zeker deze nederduitsche uitdr. haar ontstaan te danken heeft; in Lübeck immers treft men eene dergelijke voorstelling aan. Wellicht heeft er ook eene bestaan te Ieperen, wat niet onwaarschijnlijk is, daar zij in zeer vele plaatsen van West-Europa gevonden worden of werdenTe Yperen hangt in het Belfort eene klok van 1683, waarop een stuk van een doodendans voorkomt (A. van den Peereboom, Ypriana, I, 75). Ook te Gent bevindt zich een dergelijke klok., en bewaart deze spreekwijze eene herinnering daaraan. Zie Dr. W. Seelmann in het Jahrbuch des Vereins für Niederdeutsche Sprachforschung XVII en XXI; Noord en Zuid XVI, 1 vlgg. en vgl. de uitdr.: hij ziet er uit als een geschilderde dood (Harrebomé I, 145 b) of als de geletterde dood (o.a. in Jong. 15; Ndl. Wdb. III, 2836) of de geletterde dood staat hem in 't aanzicht (in C. Wildsch. III, 23). Steun vindt deze verklaring in de uitdr. aussehen wie der Tod von Basel, in welke stad ook eene muurschildering (van Holbein) van een doodendans bestond. In Duitschland, Nederland en ook in BelgiëZie Annales de la Société d'Emulation de Bruges, 1889, 145: 't Is lijk de dood van Iper, hij is doodsbleek; en Antw. Idiot. 363; Waasch Idiot. 182 b; Teirl. 340. is deze zegswijze bekend; vgl. hd. aussehen wie der Tod von YpernWander I, 201-202. naast er sieht aus wie der Dresdner Todtentanz; wie der Tod im Basler Todtentanz; der Tod von Forchem (Forchheim); in het oostfri.: hê sücht ût as de dôd fan Ypern. In het Friesch kent men hy is dea fen Iperen in den zin van hij is bibberkoud, dat herinnert aan de uitdr. ‘hij is zoo koud als de dood van Yperen’. Voor de behandelde spreekwijze zegt men aldaar: hy sjucht er út as de dead op it goezebrief ('t ganzenbord) maar ook as de dead fen Iperen; in Deventer spreekt men van de dood van Pilo voor een bleek, mager persoon (Draaijer, 130), wellicht hetzelfde als het in Leeuwarden bekende ‘dood van Piro’ (Pierrot uit de Jan-Klaassenkast?In Dievenp. leest men bl. 140: ‘'t Zal me benieuwen’, zuchtte ik met 'n stem als de dood van Ieperen..

Voor den oorsprong der uitdr. te denken aan de zwarte pest, die in 1349 ook te Ieperen woedde, komt me niet raadzaam voor, daar deze over geheel West-Europa verschrikkelijk heerschte en niet alleen in die plaats. En aan de muurschilderingen te denken, die tusschen 1872 en 1881 in de groote zaal van de Halle als herinnering aan die pest door Fred. Pauwels zijn aangebracht, is evenmin mogelijk, daar de uitdrukking reeds vóór dien tijd bestond.

454. De een zijn dood is de ander zijn brood,

de dood van den een bezorgt een ander een middel van bestaan, doordat hij in diens plaats komt; ook wel in algemeener zin, dat men dikwijls voordeel trekt uit het nadeel van een ander; vgl. lat. lucrum sine alterius damno fieri non potest.; De Brune, 379: 't Verderf van d'een, als nu en dan, ist rijzen van een ander man De zegswijze dateert uit de 16de eeuw; vgl. Trou m. Blycken, bl. 9: Des eens doot is dikwils des anders vrame (voordeel); Tuinman I, 114: Des eenen dood, is des anderen brood, door 't afsterven van den eenen, verkrygt de andere levensmiddelen, door erfenis, door amptvolging, enz.; II, 150; Sewel, 181: De een zyn dood is de ander zyn brood, one's death is another's bread; Ndl. Wdb. III, 2833; Arbeid, 24 Sept. 1913, p. 2 k. 1; Schuermans, 81 b; Waasch Idiot. 182 b; De Bo, 190 b; Antw. Idiot. 304; 1654; Rutten, 41 b; Teirl. 340: iemands dood es iemands brood; fri.: de iene syn skea (schade) is d'oare syn brea. Ook in het hd. de. zwe. en eng. komt de zegswijze voor. Zie Wander IV, 1235: de ên sîn Dôd is de anner sîn Brot (Eckart, 525; Dirksen II, 20); des einen Tod des andern Brot; eng. what is one man's meat, is another man's poison (niet alles is voor allen hetzelfde) naast one man's breath is another man's death.

458. Doodvijand,

d.w.z. zijn ergste vijand, dien men doodelijk haat, onverzoenlijke vijand. In het Mnl. dootviant, vijand op leven en dood; syn. van dootslagen viant, een vijand om dood te slaan; vgl. dootvede, bloedveete, vijandschap op leven en dood. Dit znw. komt ook in het oudgerm. voor, blijkens mnd. dôtvient; mhd. totvîent, totvînt; nhd. todfeind. Vgl. Kiliaen: dood-vijand, hortis capitalis, adversarius capitalis, qui caput et mortem alterius petit. Plantijn kent dit znw. niet, maar wel dootlicke vyant, ennemi mortel, acerbissimus inimicus. Vgl. het eng. a deadly (or mortel) enemy; to be enemies to the death; fr. ennemi mortel.

1558. Morsdood,

d.w.z. in eens, plotseling, geheel en al dood, kiksdood (Claes, 109), pietdood (zuidndl.). Het eerste gedeelte van dit woord beantwoordt aan het nd. murs, hd. murz naast morsch, bijv. in morsch entzwei; vgl. tirol. murzjung; mhd. adv. murzes, geheel en alNdl. Wdb. IX, 1149; Franck-v. Wijk, 443.. Verwantschap met het wkw. vermorzelen en een znw. morzel, dat we kennen in de uitdr. te morzel slaan, verbrijzelen, waarnaast vroeger ook te mortel (vgl. nd. murt, gruis) slaan (Sewel, 500) is ook mogelijkMnl. Wdb. IV, 1952; De Jager, Frequ. I, 417; Antw. Idiot 834: geen morzel, niets; Zeitschr. f. D. Wortforschung, XIII, 329-334; Germ.-Rom. Monatschrift IV, 607; Franck-v. Wijk, 443.. Vgl. Rusting, 519; Halma, 361: Morsdood, roide mort; Sewel, 499: Hy viel morsdood, he fell stone-dead.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut