Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

donker - (duister, zonder licht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

donker bn. ‘duister, zonder licht’
Onl. duncla (mv.) ‘duistere’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. donker en dunker ‘zonder licht’ [1240; Bern.], donkel ‘duister’ [1290-1310; MNW-R].
Os. dunkar (mnd. dunker); ohd. tunchal ‘donker’; ofri. diunker, dionker ‘id.’; on. døkkr ‘id.’; < pgm. *denkw-, *dunkw- ‘donker’.
De herkomst is onduidelijk. Men verbindt donker met de wortel pie. *dhem- ‘donker, duister’ (IEW 247-48), maar dit materiaal in IEW valt uiteen in de wortel pie. *dhemH- ‘blazen’ (wat niets met ‘donker’ te maken heeft) en een groot aantal onduidelijke Germaanse woorden. Alleen Hittitisch dankui- ‘duister’ lijkt bij pgm. *denkw-, *dunkw- te horen, maar een dergelijk verband is uitermate onwaarschijnlijk.
De vorm met -r en met -l staan naast elkaar, waarbij de -l alleen in meer zuidoostelijke bronnen wordt aangetroffen. Het gaat in oorsprong om hetzelfde achtervoegsel: -r en -l zijn erg verwisselbaar.
Lit.: EWdG 167; Grauwe 1982, 259-60

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

donker* [niet licht] {oudnederlands duncal 901-1000, middelnederlands don(c)ker, don(c)kel} oudsaksisch dunkar, oudhoogduits tunchar, tunchal, oudfries diunk(er), oudengels deorc, oudnoors døkkr; buiten het germ. middeliers déime [duisternis].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

donker bnw., mnl. donker naast donkel, onfrank. duncal, os. dunkar ‘donker’, ohd. tunchar, tunchal ‘donker, onduidelijk’. Daarnaast zonder suffix: ofri. djunk, on. døkkr germ. *denkwa, dankwia, afl. van een wt. *dhem vgl. gr. thémeros ‘duister kijkend, ernstig’, oi. dhamati ‘blazen’, mir. dem ‘zwart, donker’, deime ‘duisternis’ (IEW 247-8).

Naast de idg. wortel *dhem stond ook *tem, vgl. oi. tamas ‘duisternis’, os. thimm, ohd. demar ‘donker’ (Specht Idg. Dekl. 12 denkt aan taboe-wisseling). — De vorm is typisch nl. en reikt van Zeeland tot aan Oost-Friesland; daarom zal dunker in een gebied ten O. van de Elbe en de Fläming tot aan de Prignitz zeker als import door nl. kolonisten op te vatten zijn, vgl. Teuchert Sprachreste 378-9.

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dhem-, dhemǝ- ‘stieben, rauchen (Rauch, Dunst, Nebel; nebelgrau, rauchfarben = düster, dunkel), wehen, blasen (hauchen = riechen)’, dhengu̯o-, dhengu̯ī- ‘neblig’

Ai. dhámati ‘bläst’ (dhami-ṣyati, -tá- und dhmātá-, Pass. dhamyatē und dhmāyátē), av. dāδmainya- ‘sich aufblasend, blähend, vоn Fröschen’, npers. damīdan ‘blasen, wehen’, dam ‘Atem, Atemzug’, osset. dumun, dịmịn ‘rauchen; wehen, blasen’;
gr. θέμερος, σεμνός, θεμερῶπις ‘ernst, finsterblickend’ (: ahd. timber ‘finster’);
mir. dem ‘schwarz, dunkel’;
norw. daam (*dhēmo-) ‘dunkel’, daame m. ‘Wolkenschleier’, daam m. ‘Geschmack, Geruch’ = anord. dāmr ‘Geschmack’;
mit Gutt.-Erw.: dhengu̯o-, dhengu̯i- ‘neblig’ in anord. dǫkk f. ‘Vertiefung in der Landschaft’ = lett. danga (*dhongu̯ā) ‘kotige Pfütze, morastiges Land, Meeresschlamm’, ferner anord. døkkr, afries. diunk ‘dunkel’ (germ. *denkva-); tiefstufig as. dunkar, ahd. tunkal, nhd. dunkel (ursprüngl. und mit der Bed. ‘neblig - feucht’ norw. und schwed. mdartl. dunken ‘feucht, dumpfig, schwül’, engl. dank, mdartl. dunk ‘feucht’); dazu cymr. dew m. (*dhengu̯os) ‘Nebel, Rauch, Schwüle’ usw., deweint ‘Dunkelheit’ (irrig Loth RC 42, 85; 43, 398 f), hitt. da-an-ku-i-iš(dankuiš) ‘finster, schwarz’ (Benveniste BSL. 33, 142);
anord. dȳ ‘Schlamm, Kot, Morast’ aus *dhm̥kio-, vgl. mit gramm. Wechsel dän. dyng ‘naß, feucht’, schwed. mdartl. dungen ‘feucht’;
mit germ. -p-: mhd. dimpfen, dampf ‘dampfen, rauchen’, ahd. mhd. dampf m. ‘Dampf, Rauch’, mnd. engl. damp ‘Dampf, feuchter Nebel’, ndd. dumpig ‘dumpf, feucht, moderig’, nhd. dumpfig, dumpf (auch = verwirrt, gestoben); kaus. ahd. dempfen, tempfen, mhd. dempfen ‘durch Dampf ersticken, dämpfen’;
mit germ. -b-: schwed. dial. dimba st. V. ‘dampfen, rauchen, stieben’, dimba ‘Dampf’, norw.damb n. ‘Staub’, anord. dumba ‘Staub, Staubwolke’ (daneben mit -mm- anord. dimmr ‘dunkel’, afries. ags. dimm ds., norw. mdartl. dimma, dumma ‘Unklarheit in der Luft, Nebeldecke’, schwed. dimma ‘dünner Nebel’), ahd. timber, mhd. timber, timmer ‘dunkel, finster, schwarz’;
inwieweit die s-Formen schwed. mdartl. stimma, stimba ‘dampfen’, norw mdartl. stamma, stamba ‘stinken’ einen idg. Hintergrund haben oder nur nach dem Nebeneinander von ahd. toum : ags. stēam, dt. toben : stieben (s. unter dheu-, dheu-bh- ‘stieben’) neugeschaffen sind, ist fraglich;
lit. dumiù, dùmti ‘blasen, wehen’, apdùmti ‘mit Sand oder Schnee betragen (vom Wind)’, dùmplės ‘Blasebalg’, dùmpiu, dùmpti ‘blase’ (wohl mit p-Erw.), apr. dumsle ‘Harnblase’;
aksl. dъmǫ, dǫti ‘blasen’ (zum bsl. Vokalismus s. Berneker 244 f. m. Lit., Meillet Slave comm.2 63 f., 164, Trautmann 63).

WP. I 851 f.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

donker bnw., mnl. donker, waarnaast donkel. = onfr. duncal, ohd. tunchal, -ar “donker, onduidelijk, beneveld” (nhd. dunkel), os. dunkar “donker”, met ablaut ofri. djū̆nk, on. døkkr “donker”, germ. ðeŋkwa-. Hiernaast met afwijkende bet. eng. dank, dial. dunk “vochtig”, noorw. zw. dial. dunken “id.”. Men heeft wel gedacht aan verwantschap met damp, maar bij die woordfamilie is de bet. “vocht(ig)” secundair; eer moeten we voor donker enz., noorw. daam, ier. deim “donker” een aparte idg. basis dhem- “donker zijn” aannemen. Met ’t oog op eng. dank enz. moeten wij echter ook de combinatie van donker met on. dokk v. “kuil”, zw. dank “moerassige bodem”, lett. danga “poel, moeras” voor mogelijk houden: idg. dhaxŋg(u)- “troebel, nevelig zijn”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

donker. Ofri. diunk en diunker, owfri. dionker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

donker bijv., Mnl. id., Os. duncar + Ohd. tunchar, Ofri. diunker; daarnevens Onfra. duncal, Os. duncal (Mnl. donkel), Ohd. tunchal (Nhd. dunkel) met een ander suffix, en Ofri. diunk en On. døkkr zonder suffix: niet verder op te sporen; misschien verwant met het voorgaande donk, dong, volgens anderen met deemster of damp.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dónkel (bn.) donker; Aajdnederlands duncla <701-800>.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

donkel (in de weerspreuk: Sinte Pesjonkel om acht uren donkel) (Hoofdplaat), doenkel (hagel.). donker (Hoofdplaat, Hageland). = hgd. dunkel. ~ (maar met een ander achtervoegsel) donker. ~ hit. dankwiš ‘donker’ ~ eng. dank, dunk ‘vochtig’. Het woord zal dan wsch. oorspronkelijk ‘nevelig vochtig’ betekend hebben.
WNT III 2820, Kluge 147-148, Tuerlinckx 125.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

donker ‘niet licht’ -> Fries donker, dûnker ‘niet licht’; Duits dialect dunker ‘niet licht’; Indonesisch dongker ‘niet licht’;? Madoerees dhongkēr ‘naam van de beste soort laken (paarsachtig)’; Negerhollands donker, dunku, dunki ‘niet licht, avond, nacht, duisternis’; Berbice-Nederlands dunggru ‘niet licht’; Sranantongo dungru ‘niet licht; geestenrijk’; Saramakkaans dúngu ‘niet licht’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † dunku ‘nacht, avond, donkerte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

donker* niet licht 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1095. De kat in 't donker knijpen,

d.w.z. kwaad doen, wanneer niemand het ziet, dus: in 't geniep; heimelijk iets ongeoorloofds doen (Schuermans, 226 a), waarvoor in Oost-Vlaanderen ook gezegd wordt: hij nijpt het in den donker (Schuerm. Bijv. 210 a). Vgl. Harrebomée III, 164, waar ook wordt opgegeven: ‘hij zoent de kat in 't donker’; zie verder Nolet de Brauwere, Ged. II, 207:

Voorzichtig knijpen wij de katjes in den donker,
Op wollen zokken, in 't geniep, als 't niemand ziet.

Schoolm. 102; 132; V. Lennep, K. Zev. 4, 136: Myn Heer dacht misschien de kat in 't donker te knijpen, zoo dat niemand er iets van te weten kwam; Speenhof II, 62:

Hij is van die fijne lui,
Die den schijn vermijden;
Maar de kat in 't donker knijpt
Of de keukenmeiden.

Kalv. II, 144: Dan moest je Hirschfeld eens kennen. Die kneep de kat in donker; Tint. 30: Hij geeft ter sluiks een lonk-er, knijpt de kat in donker; Prikk. V, 26: Denk je, dat wij je niet al lang in de gaten hebben, kereltje? Jij bent een fijn lid! Jij knijpt de kat in het donker, hè?; Nest, 168: Knijp geen katjes in 't donker; M. de Br. 82: Huichelaars die de kat in 't donker knepen; De Amsterdammer, 10 Mei 1914, p. 4 k. 2; Nkr. III, 5 Dec. p. 2; V, 15 Juli, p. 3; VIII, 31 Jan. p. 4; III, 3 Jan. p. 5: Dan kneep die ouwe jonker de muisies in het donker; Teirl. II, 116: de kat (of de katten) in den donkere (of in 't duistere) knippen of nijpen, heimelijk, bedektelijk, schijnheilig verboden dingen doen; Bergsma, 97: de kat in duustern of donkern kniepen. In het fri.: hy knypt de kat yn 't donker of yn 't tsjuster; oostfri.: de kat of sên katte in düstern knipen (Dirksen I, 49). Hoogstwaarschijnlijk wordt met de kat een meisje of eene vrouw bedoeld (vgl. kamerkat, kamenier; eng. cat, meretrix) en wil de uitdr. eig. zeggen: met een meisje in het donker wat stoeien, en bij overdracht in het algemeen: in het geheim kattekwaad doen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal