Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

donk - (moeras, hoogte daarbij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

donk zn. ‘hoogte in een moeras’
Onl. *dunk in de plaatsnamen Medmedug ‘Mendonk (Oost-Vlaanderen)’ [694; Gysseling 1960] en Dungus ‘Donk (Limburg B)’ [741; Gysseling 1960]; mnl. donc als toponiem [13e eeuw; CG I en CG II], santdonc ‘id.’ [1295; MNW]. Daarnaast vnnl. dong ‘mest, vuil’ [1532-37; MNW] en mnl. donc ‘onderaardse kelder’ [MNW, maar zonder bewijsplaats].
Ohd. tung ‘onderaardse ruimte’, tunga ‘het bemesten’; ofri. dung ‘het bemesten’ (nfri. dong ‘(stal)mest’); oe. dung ‘mest, vuil’ (ne. dung ‘mest’); < pgm. *dunga- ‘mesthoop’, naast on. dyngja ‘vrouwenvertrek onder de aarde; (mest)hoop’ (Noors dyngja ‘afvalhoop’) < pgm. *dungjō (waaruit ook Fins tunkio ‘mest’).
De herkomst is niet geheel duidelijk; het is ook niet zeker of genoemde woorden wel alle op dezelfde stam teruggaan. Voor de buiten-Germaanse verwantschap geldt hetzelfde. Als ‘onderaardse ruimte’ de Germaanse basisbetekenis is, kan de woordgroep bij pie. *dhengh- ‘drukken, bedekken’ behoren (IEW 250) en verwant zijn met Litouws deñgti ‘bedekken’. Het in dit verband vaak genoemde Oudiers dingid ‘hij onderdrukt’ heeft wrsch. een nasaalinfix en behoort bij pie. *dhei-gh- ‘kneden’. Misschien gaat het om een substraatwoord.
Tacitus vertelt in 98 na Chr. in zijn Germania dat de Germanen kuilen in de bodem groeven die zij met mest afdekten en in de winter als toevlucht en verder als voorraadkamer gebruikten. Als men dit als een algemeen gebruik ziet, lijkt het aannemelijk dat dit over donken gaat. Uit een basisbetekenis ‘onderaardse ruimte’ kan zich enerzijds een betekenis ‘mestopslag, mesthoop’ hebben ontwikkeld, en anderzijds een algemenere betekenis ‘verblijfplaats’, vandaar de vele toponiemen met Donk (zie MNW-B). Veel daarvan slaan op een oorspr. zandige hoogte in een moeras, dat in de standaardtaal als enige betekenis is overgebleven.
Lit.: W. van Osta (1992) ‘Donk: semantisch en etymologisch’, in: Naamkunde 24, 87-115

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

donk2* [moeras, hoogte daarbij] {in de plaatsnaam Medmedug, nu Mendonk (O.-Vl.) <694>, donc [kelder om in te weven of graan in op te slaan, hoge plek in het land] 1272} oudhoogduits tung [half ondergrondse weefkamer], middelnederduits, oudengels dung [bewaring], oudnoors dǫkk [verdieping in het terrein], dyngja [vrouwenvertrek (weven!)]; de betekenisovergang van half ondergrondse ruimte, die dus gedeeltelijk boven de grond uitstak, naar hoogte is begrijpelijk. Bij donk hoort dong [mest]; te denken is aan een met een laag mest geïsoleerde woonruimte. Of donk [ineengedraaide bundel] bij donk [weefkamer] hoort is onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

donk 1 znw. v. ‘hoogterug in een moerassig terrein’ soms ook ‘moeras’, vgl. mnl. donc ‘onderaardse kelder, dienende om te weven of om graan te bewaren; hoger gelegen woonplaats in een laag gebied’, ohd. tung, mhd. tunc ‘kelder, half onderaardse weefkamer’, mnd. oe. dung ‘bewaring’, on. dyngja ‘vrouwenvertrek’. — Daarnaast staat mnl. dong, donge ‘mest, vuil’, ohd. tunga, ofri. oe. dung ‘mest’. — oiers dingid ‘onderdrukken’, lit. dengiù, deñgti ‘bedekken’, dangùs ‘hemel’. Idg. wt. *dheng ‘drukken, bedekken’ (IEW 250).

Voor de bet. ontw. zal men moeten uitgaan van ‘mest, mesthoop’. Nu berichten ons Tacitus, Germania c. 16 en Plinius, Nat. hist. 19, 1, dat de Germanen onderaardse vertrekken, als voorraadruimten voor de warmte met mest bedekten. Deze werden ook voor het weven gebruikt en zo kon de bet. ‘vrouwenvertrek’ (vgl. on. dyngja) optreden. Op het erf tekende zich dit halfonderaardse vertrek als een heuveltje af; zo kon men ook lage zandopduikingen in een venig gebied op dezelfde wijze benoemen. De nl. vorm met k zal wel uit de verscherpte nom. sg. donc stammen; er is geen aanleiding daarvoor een afz. idg. wt. *dheng op te stellen. — De betekenis van ‘moeras’ kan beïnvloed zijn door een ander woord ne. dank, dial. dunk, noorw. zw. dial. dunken ‘vochtig’, vgl. ook on. dǫkk ‘kuil’ (waaruit het eng. dank wel ontleend zal zijn, zie AEW 93) nzw. dank ‘moerassige bodem’; deze woorden verbindt men met lit. danga ‘groeve, poel’. — Teuchert, Sprachreste 1944, 166-171 behandelt de aan het nl. ontleende woorden in het oost-nd. gebied (met kaartje op blz. 169); hij wil als oudste bet. aannemen ‘verwarde opeengeworpen hoop’ vooral met het oog op donk 2); maar eerder is het uitgangspunt ‘bedekkende laag’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

donk m. (laagte, schuilplaats), Mnl. donc + Ohd. tunc (Mhd. tunk, Nhd. dunk), On. met ablaut dǫkk = kuil (Zw. dank = moeras) + Lit. danga = moeras: Idg. *dhŋɡ-, *dhaŋɡ-, wisselvorm van *dhŋɡh- bij dong.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

donk 'zandige opduiking in moerassig terrein'
Onl. dunc 'donk', mnl. donc 'onderaardse kelder om te weven of om graan te bewaren, hoger gelegen woonplaats in een laag land', mnd. dunk 'onderaardse kamer', oe. dung 'mest, kerker', ohd. tung, mhd. tunc 'kelder, half onderaardse weefkamer', ono. dyngja 'mest, mesthoop, onderaards met plaggen bedekt verblijf'. Verder is de etymologie onzeker. Als toponymisch grondwoord wordt aan donk de betekenis 'zandige opduiking in moerassig terrein' toegekend. Op basis van recente heranalyse is een oorspronkelijke betekenis van 'hoogte' in twijfel getrokken en zocht men aansluiting bij de woordgroep van ne. dank, dial. dunk 'vochtig', ono. dokk 'kuil', nzwe. dank 'moerassige bodem'. De conclusie dat donk primair refereert aan een lage, vochtige plaats1 past echter niet bij de geologische situatie van de meeste donk-nederzettingen, die hoger liggen, in de nabijheid van een rivier of omgeven door moerassen. De opvatting dat donk in Merovingische tijd en in adellijke context een betekenisontwikkeling doormaakte van 'onderaards met plaggen bedekt verblijf' naar 'aangelegd riviereiland'2 is een poging het betekenisdilemma op te lossen, maar blijft hypothetisch.
Met donk samengestelde plaatsnamen hebben als eerste deel vaak een dier- of plantnaam en de meeste donk-namen treft men aan ten zuiden van de grote rivieren3. Ten noorden van de Lek spreekt men van berg.
Oudste attestaties in plaatsnamen: 1107 kopie 13e eeuw Dunc (ligging onbekend, mogelijk bij Aalburg)4, ca. 1170-1180 Hodunc (→ Hooidonk), 1179 kopie 13e eeuw Stipedunch (→ Stipdonk).
Lit. 1Naamkunde 24 (1992) 87-115, 2Van Loon 2016 111vv, 3Moerman 1956 53, Naamkunde 24 (1992) 87-115, 4Künzel e.a. 1989 120.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

donk ‘hoogte nabij een moeras’ -> Duits dialect Dunk ‘hoogte nabij een moeras’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

donk* moeras, hoogte daarbij 0694 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut