Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

donk - (ineengedraaid bundeltje stro e.d.)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

donk1* [ineengedraaid bundeltje stro e.d.] {1891} zal wel hetzelfde woord zijn als donk2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

donk 2 znw. m. (zuidnl.) ‘ineengedraaid of gerold bundeltje stro of vezels’, daarnaast ook donke v., met de vlaamse kolonisten overgebracht naar Oost-Holstein, waar dunk m. ‘bundel vlas op het spinrokken’ voorkomt.

Het woord zal wel niet te scheiden zijn van donk 1; daarom wil Teuchert, Sprachreste 170 uitgaan van een bet. ‘verwarde massa’; men kan even goed denken aan ‘iets dat omwikkelt of bedekt’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjonk, sjunk, tjonk, sonk, sunk, sink, zn.: knotwilg, geknotte boom, stronk, tronk. Hetzelfde woord als Wvl. tjonke, sonke, Ovl. tsonk, sjonk, sonk(e) ‘homp, aardkluit, grote brok’. Sjonk, sonk < tjonk met expressieve anlaut < Vl. en Br. donk(e) ‘kluwen werk (van vlas), bundeltje (stro), knot, bos’. Het woord werd door Vlaamse kolonisten naar Oost-Holstein meegenomen. Daar betekent dunk ‘bundel vlas op het spinrokken’. Wsch. dezelfde etymologie als de plaatsnaam Donk ‘hoogte’, waarvan de oorspr. bet. ‘mest’ kan zijn geweest, vandaar ‘verwarde massa’. Mnl. dong(e) ‘mest, vuil’, Ohd. tunga, Ofri., Oe. dung ‘mest’, On. dyngja ‘hoop’, D. Dünger mest’. – Bibl.: W. van Osta, Donk: Semantisch en etymologisch. Naamkunde 24 (1992), 87-115.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

donk, zn. : kluwen werk (van vlas), bundeltje (stro). Ovl. donk, sjonk, sonk(e), tsonk ‘homp, aardkluit, knot, bos, graszode’, Wvl. donke, tjonke, sonke. Samenst. Ovl. gerssonk, gerstjonk ‘graszode’, Wvl. gestsonke. Sjonk, sonk < tjonk met expressieve anlaut. Het woord donk(e) werd door Vlaamse kolonisten naar Oost-Holstein meegenomen. Daar betekent dunk ‘bundel vlas op het spinrokken’. Wsch. dezelfde etymologie als de plaatsnaam Donk ‘hoogte’, waarvan de oorspr. bet. ‘mest’ kan zijn geweest, vandaar ‘verwarde massa’. Mnl. dong(e) ‘mest, vuil’, Ohd. tunga, Ofri., Oe. dung ‘mest’, On. dyngja ‘hoop’, D. Dünger mest’. – Bibl.: W. van Osta, Donk: Semantisch en etymologisch. Naamkunde 24 (1992), 87-115.

sjonk, sjunk, zn.: wortelkluit; homp (brood, vlees). Vgl. Wvl. donke, tjonke, sonke ‘kluwen werk, bundeltje stro, aardkluit, homp, grote brok’, gestsonke ‘graszode’, Ovl. gerssonk, gerstjonk. Het woord donk(e) werd door Vlaamse kolonisten naar Oost-Holstein meegenomen. Daar betekent dunk ‘bundel vlas op het spinrokken’. Wsch. dezelfde etymologie als de plaatsnaam Donk ‘hoogte’, waarvan de oorspr. bet. ‘mest’ kan zijn geweest, vandaar ‘verwarde massa’. Mnl. dong(e) ‘mest, vuil’, Ohd. tunga, Ofri., Oe. dung ‘mest’, On. dyngja ‘hoop’, D. Dünger ‘mest’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

donk 1 (ZO), zn. m.: ongebuideld meel. Verkort uit ameldonk??

donk 2 (ZO), sjonk, sonk(e) (W), tsonk (E), zn. m.: kluwen werk (van vlas), bundeltje stro (ZO), homp, aardkluit (L,W), knot, bos, graszode (E). Wvl. donke, tjonke, sonke. Samenst. gerssonk, gerstjonk (M) 'graszode', vgl. gestsonke (Aarsele). Sjonk, sonk < tjonk met expressieve anlaut. Het woord donk(e) werd door Vlaamse kolonisten naar Oost-Holstein meegenomen. Daar betekent dunk 'bundel vlas op het spinrokken'. Wsch. dezelfde etymologie als de plaatsnaam Donk 'hoogte', waarvan de oorspr. bet. 'mest' kan zijn geweest, vandaar 'verwarde massa'. Mnl. dong(e) 'mest, vuil', Ohd. tunga, Ofri., Oe. dung 'mest', On. dyngja 'hoop', D. Dünger mest'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

donke (DB), tjonke (O, GG: Haringe), sonke (WVD: FV noord), zn. v.: kluwen werk, bundeltje stro, hooi (DB), aardkluit (GG, WVD), homp, grote brok (O). Sonke < tjonke met expressieve tj-anlaut. Gestsonke (WVD: Aarsele) graszode’, vgl. ger-sonk - gerstjonk (Meetjesland). Het woord donk(e) werd door Vlaamse kolonisten naar Oost-Holstein meegenomen. Daar betekent dunk ‘bundel vlas op het spinrokken’. Wsch. dezelfde etymologie als de plaatsnaam Donk ‘hoogte’, waarvan de oorspr. bet. ‘mest’ kan zijn geweest, vandaar ‘verwarde massa’. Mnl. dong(e) ‘mest, vuil’, Ohd. tunga, Ofri., Oe. dung ‘mest’, On. dyngja ‘hoop’, D. Dünger ‘mest’.

tjonke, zn. v: expressieve tj-var. van donke.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

donk ‘(Vlaams) ineengedraaid bundeltje stro e.d.’ -> Duits dialect † Dunk, Dunge, Düngel ‘bosje, bundeltje van vlas of hennep’; Frans dialect † donnel ‘pak hennep, touw’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut