Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

domper - (kaarsendover; iets wat de stemming bederft)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

domper zn. ‘kaarsendover; iets wat de stemming bederft’
Vnnl. domper ‘kapje om vlam te doven’ [1691; Sijs 2001], nnl. domper ‘metalen kapje om kaarslicht te doven’ [1805; WNT uitblusschen], ‘iets wat het enthousiasme dooft’ [1899; WNT vrede], ‘iets wat de vreugde of goede stemming bederft’ [1972; Dale].
Afleiding bij het werkwoord dompen ‘(uit)doven’, vnnl. dompen, dempen ‘doven’ [1599; Kil.], zie → dempen.
Het woord is tegenwoordig bijna uitsluitend bekend in de overdrachtelijke betekenis, die is ontstaan door de gedachte aan het vuur of licht dat wordt gedoofd.

EWN: domper zn. 'kaarsendover; iets wat de stemming bederft' (1691)
ANTEDATERING: Dat alle dompers dompt, en van haer glans berooft [1634; Vande Venne, Hollandsche Sinne-Droom, a6r]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

domper* [kapje om vlam te doven] {1805} van dompen [uitdoven], middelnederlands dompen, verdompen [verstikken], van domp [damp, walm], nevenvorm van damp.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

damp znw. Kil. damp, ook in ’t Mnl. Handwdb. = ohd. damph, mhd. ook tampf m. “damp, rook” (nhd. dampf), mnd. damp m. “damp”, fri. damp “damp, nevel”, eng. damp “nevel, vochtigheid”. Als bnw. Kil. (“Holl.”), nog wfri. fri. damp “vochtig”. De basis dimp-, damp-, dump- is in het Wgerm. zeer verbreid, vooral sedert de mhd.-mnl. periode. Dimp- in mhd. dimpfen “dampen, rooken”, dump- in ndl. dial., ook laat-mnl. domp “damp, walm, nevel”, ndl. dial. Kil. dompen “dampen, uitdooven”, mnl. ver-dompen “verstikken”, mnd. dumpen “uitdooven, onderdrukken” (vgl. het synon. dempen), waarbij ndl. domper (nog niet bij Kil.), dompig (reeds bij Kil naast dampigh, dempigh), bedompt (’t ww. bedompen reeds bij Kil.); westf. dumpig = “donker (van de lucht)”; mnd. dumpe, dampe “asthma”, dempich, dampich, dumpich “asthmatisch” (vgl. Kil. dampigh, dempigh “asthmatisch”, nog dial.). Naast dimp- enz. bestaat ngerm. dimb-, damb-, dumb-: zw. dial. dimba “dampen, rooken”, noorw. dial. damb, zw. dam, on. dumba v “stof”. Van de bett. “stof, damp, stoom, rook, nevel, vochtigheid, benauwdheid” zijn de drie laatste zeker secundair. Wellicht moeten wij germ. *ðem-ƀ-, *ðem-p- van den idg. wortel dhem- afleiden, waarvan ook obg. dŭmą, dąti, lit. dumiù, dúmti “blazen”, oi. dhámati “hij blaast”, misschien ook ier. deim “donker” (zie echter donker). Vgl. voor de bet. idg. *dhûmo-, lat. fûmus enz. “rook, damp” bij den idg. wortel dhû- (zie hierover vooral bij dier) en zie verder stoof, stoom, stuiven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

domper 1 m. (kaarsdomper), van dompen.

domper 2 m. (duisterling), overdracht van domper 1.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

domper: orthodoxe protestant. Zie citaat voor verklaring.

De verscherping van de regels in die jaren – en tegelijk: de grote gevoeligheid voor beledigingen – valt af te lezen aan de lange rij van niet-geoorloofde (volgens de voorzitter) uitdrukkingen waarmee de kamerleden elkaar destijds bestookten. Enkele voorbeelden: ‘politieke gifmenger, spullebaas, barbaren, woordbreukige heeren, farizeeërs, vergulde vechtjas, en het intrigerende “een ellendige troep dompers” – een scheldwoord dat men vaak gebruikte voor orthodoxe protestanten,’ schrijft Van Vree; bedoeld werd het ‘dompen’ van wetenschap en vooruitgang. (NRC Handelsblad, 21/04/1994)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

domper (een -- op iets zetten) (vert. van Frans mettre une sourdine à quelque chose)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Domper (kaarsdomper) van dompen: uitblusschen, verwant met dempen; zie Damp en vgl.: „Een zwartgekleurde domp” (= damp).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

domper* kapje om vlam te doven 1691 [Sewel 66b]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut