Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dompelaar - (sukkel; oude vogelnaam)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Dompelaar Koenen-Endepols: “watervogel die dikwijls in het water dompelt” en vD 1970: “duiker (zekere watervogel)”. N (dial.) dompen ‘(doen) duikelen’, mnd dumpeln ‘onderduiken’ [NEW; VT]; (vgl. zweeds Dopping ‘Fuut’, ‘dompelaar’) (zweeds doppa ‘onderdompelen, dopen’, de N volksnaam Dopper ‘Kuifeend’ (zie ook sub Toppereend)) en E Dopper (c.1440-1634) = E Dopchick, Dabchick ‘Dodaars’ (vgl. ook E Dipper ‘Waterspreeuw’, letterlijk: ‘dompelaar’, ‘doper’). VK: “dompelen (intwaeter) = duyckelen”.
N synoniem (?) Duiker ↑. ?N syn. duikelaar? In de Statenbijbel van 1728 is sprake van “het Duyckerken” (Lev. 11:17), in de nieuwe vertaling (1969) met “aalscholver” vertaald. Zie ook Domphoren en zie sub Roerdomp.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

dompelaar: (in Vlaanderen, gewestelijk) sukkel of sul.

Hij zal kreveeren van honger, de vrek! en wat gaat hij doen, heele dagen, de dompelaar? (Stijn Streuvels, De vlaschaard, 1907)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut