Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

domino - (soort mantel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

domino 2 zn. ‘soort mantel’
Nnl. Mits dat hy gemaskert, en in Domino (zynde een zoort van zyd overkleed) vermomd was ‘aangezien hij gemaskerd en in een domino (een soort zijden mantel) vermomd was’ [1757-58; WNT], domino ‘maskeradekleding of mantel’ [Weiland 1824].
Wrsch. uit Frans domino ‘wijd kostuum met capuchon voor een gemaskerd bal’ [1665; Rey]. Het kostuum is genoemd naar Frans domino ‘donkere mantel met capuchon die priesters in de winter dragen’ [1401; Rey], welke naam wrsch. is afgeleid van Latijn Domino, ablatief en datief van Dominus ‘Heer’, dat vaak voorkomt in gebeden en zegeningen, bijv. in benedicamus Domino ‘laten wij de Heer loven’, een formule die uitgesproken zou zijn bij het aantrekken van de mantel.

EWN: domino 2 zn. 'soort mantel' (1757-58)
ANTEDATERING: een Bal en Masquerade, waarby de Koning verscheen in Domino-Gewaat [1732; Leydse courant (KB) 15/9]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

domino 1 znw. m. ‘masker-costuum’ < ital. domino dominus. Men gaf destijds de voorkeur aan de lange priestermantel als costuum bij een maskerade.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

domino (masker-costuum, spel), nog niet bij Kil. Uit het Spa. Ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

domino s.nw.
1. Lang, swart mantel (oorspr. van 'n priester) met kap (en masker) vir 'n maskerbal. 2. Spel met 28 plat blokkies, elkeen in die helfte verdeel, met wit kolle.
Uit Ndl. domino (1758 in bet. 1, 1782 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. domino uit Fr. domino (1505 in bet. 1, 1771 in bet. 2) uit Latyn dominus 'heer', in bet. 1 wsk. so genoem n.a.v. Latyn domino 'geestelike' (omdat 'n priester oorspr. die mantel gedra het), of skertsend uit 'n gebedsformule (benedicamus) domino '(kom ons prys) die Heer', of omdat die geestelike dikw. die woord domino uit hoofde van sy amp sou uitroep; in bet. 2 so genoem omdat die wit-en-swart-blokkies aan die dominomasker met sy wit kolle herinner, of omdat die wenner van die spel die baas of heer (Latyn dominus, domino) is.
D. Domino (18de eeu), Eng. domino (1801), It. domino, Port. dominó, Sp. dominó.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut