Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

domino - (spel met dominostenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

domino 1 zn. ‘spel’
Nnl. Domineespel ‘zeker spel’ [1769-1811; WNT], domino ‘id.’ [1837; WNT hartstocht].
Ontleend aan Frans domino ‘zeker spel’ [1771; Rey]. De verklaring van de naam is niet zeker. Volgens sommigen zou de naam teruggaan op domino, datief en ablatief van Latijn dominus ‘heer’; dit was dan de aanduiding voor degene die het eerst al zijn stukken had opgesteld of die het spel had gewonnen. Een andere verklaring denkt aan de kleur van de stenen, zwart met witte stippen en zoekt daarom verband met domino ‘zwarte mantel’, zie → domino 2. De oudste dominostenen hadden echter een witte (ivoren) voorzijde met zwarte stippen, en een zwarte (ebbenhouten) rug; het zou dan deze zwarte rug zijn die deed denken aan de zwarte (priester)mantel.
Het spel werd in Nederland uit Frankrijk geïmporteerd aan het eind van de 18e eeuw: “En er is, nog onlangs zelfs een nieuw spel gebooren, welks uitvinding veelal den Predikanten toegeschreeven word, en dat althans den naam van het Domineespel draagt” [1769-1811; WNT]. Het spel zou uit Italie stammen; Italiaans domino ‘zeker spel’ is echter pas 1830 aan het Frans ontleend [BDE].
domino-effect zn. ‘kettingreactie als van vallende dominostenen’. Nnl. domino-effect ‘id.’ [1984; Dale]. Samenstelling met → effect. ♦ domino-theorie zn. ‘theorie dat iets een domino-effect zal hebben’. Nnl. domino-theorie ‘id.’ [jaren 1950; Nierop 1976]. Ontleend aan Engels domino theory, samenstelling van domino ‘dominospel’ en theory, zie → theorie. De term is bedacht door de Amerikaanse diplomaat John Foster Dulles om aan te geven dat als één land in Zuidoost-Azië (Vietnam) communistisch zou worden, heel Azië zou volgen.

EWN: domino 1 zn. 'spel' (1769-1811)
ANTEDATERING: dominee[s]spel [1776; iWNT domino]
Ook: het domino spel [1777; Sterk, 328] (EWN: 1837)
EWN: ♦ domino-effect zn. 'kettingreactie als van vallende dominostenen' (1984)
ANTEDATERING: het domino-effect [1964; Het vrije volk (KB) 12/8]
EWN: ♦ domino-theorie zn. 'theorie dat iets een domino-effect zal hebben' (jaren 1950*)
ANTEDATERING: de [zo]genaamde domino-theorie [1963; Leidsch dagblad (Ld) 25/4]
{* De datering "jaren 1950" in het EWN wordt niet door documenten ondersteund.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

domino [lange zwarte (oorspr. priester)mantel met masker, spel] {1758 als ‘mantel’; de betekenis ‘spel’ 1859} waarschijnlijk schertsend uit de gebedsformule benedicamus domino [laten wij de Heer loven]; het spel is waarschijnlijk zo genoemd vanwege de gelijkenis van de stenen (zwart met witte stippen) met het masker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

domino 2 znw. o. ‘spel’, afkomstig uit Italië. Men noemde domino de speler, die het eerst zijn stenen opgesteld had.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

domino (masker-costuum, spel), nog niet bij Kil. Uit het Spa. Ook elders ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

domino. Het woord is in eerste instantie uit het Fr. ontleend. De oudste bet. is ‘zwarte priestermantel’ en waarsch. schertsend geabstraheerd uit een lat. gebedsformule als benedicamus domino. De toepassing op het spel, die het eerst in het It. of Spa. schijnt te hebben plaats gevonden, berust wsch. op de zwarte kleur van de stenen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

domino v. (mantel, spel), uit Sp. domino, van Lat. dominum (z. dom 3) en bet. 1. priester, 2. priesterkleed, 3. een daarop gelijkend maskerkleedsel, 4. dominosteen, waarvan de zwarte bekleeding aan een dominomantel herinnert.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

domino s.nw.
1. Lang, swart mantel (oorspr. van 'n priester) met kap (en masker) vir 'n maskerbal. 2. Spel met 28 plat blokkies, elkeen in die helfte verdeel, met wit kolle.
Uit Ndl. domino (1758 in bet. 1, 1782 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. domino uit Fr. domino (1505 in bet. 1, 1771 in bet. 2) uit Latyn dominus 'heer', in bet. 1 wsk. so genoem n.a.v. Latyn domino 'geestelike' (omdat 'n priester oorspr. die mantel gedra het), of skertsend uit 'n gebedsformule (benedicamus) domino '(kom ons prys) die Heer', of omdat die geestelike dikw. die woord domino uit hoofde van sy amp sou uitroep; in bet. 2 so genoem omdat die wit-en-swart-blokkies aan die dominomasker met sy wit kolle herinner, of omdat die wenner van die spel die baas of heer (Latyn dominus, domino) is.
D. Domino (18de eeu), Eng. domino (1801), It. domino, Port. dominó, Sp. dominó.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

domino: spel met blokkies wat soos dobbelsteentjies gemerk is; Ndl. domino, soos Fr. en It. domino, wsk. uit ’n Lat. formule waarby ’n verboë vorm v. dominus (v. dominee) te pas gekom het en waarby die wenner dan domino, “baas, heer”, was; ook “gesigsmasker” en “maskerkleed” (met tekens soos dié v. dominoblokkies).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

domino (Italiaans domino?)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

domino ‘spel met dominostenen’ -> Indonesisch domino ‘spel met dominostenen’; Boeginees dômeng ‘spel met dominostenen’; Jakartaans-Maleis domino ‘spel met dominostenen’; Javaans (kasukan) dhom ‘domino spelen’; Madoerees dhōminō ‘spel met dominostenen’; Makassaars dômi ‘spel met dominostenen’; Menadonees dum ‘dominosteen’; Menadonees domino ‘spel met dominostenen’; Muna dome ‘spel met dominostenen’; Sasaks dom ‘spel met dominostenen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

domino spel met dominostenen 1854 [Kappler, Nederlandsch-Guyana 10]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut