Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dominee - (protestants geestelijke)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

EWN: dominee zn. 'protestants geestelijke' (1569)
ANTEDATERING: domine 'katholiek geestelijke' in: siet onsen domine commen! [1504; iWNT wezel]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

dominee zn. ‘protestants geestelijke’
Vnnl. domine ‘(katholiek) geestelijke’ [1569; WNT], later met betekenisvernauwing ‘protestants geestelijke’ [17e eeuw; WNT], Domine “Heer, Preeck-heer” [1654; Meijer].
Oorspr. de vocatief, aanspreekvorm, domine, van het Latijnse zn. dominus ‘heer’ dat is afgeleid van het zn. domus ‘huis’, zie → dom 1.
De lange -ee aan het eind van het woord kan secundair zijn ontstaan aan het eind van de 16e eeuw, toen men de onbeklemtoonde -e blijkbaar vulgair vond. Woorden als weduwe en schaduwe werden toen tot weduwee en schaduwee. Ook -ie werd hiervoor gebruikt: doomni ‘dominee’ bij Betje Wolff en Aagje Deken [18e e.], ook Fries dominy en Schots-Engels dominy. Het is ook mogelijk dat de korte klinker in de laatste lettergreep van Latijn domine in de Nederlandse uitspraak altijd als lange -ee is gerealiseerd.
Lit.: Heeroma 1960, 194-195

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dominee [predikant] {r.-k. 1504, prot. 1649} < latijn domine, 5e nv., de aanspreekvorm van dominus [heer, dus lett.: meneer]. Dominus betekende oorspr. ‘heer des huizes, huisheer’, van domus [huis] (vgl. dom1); de uitspraak van de e werd in de 17e eeuw ē (ee) in kringen die de toonloze e als vulgair beschouwden → jemenie, molla, rabbijn, dom3. Voor de uitdrukking een blikken dominee [spotnaam voor iem. die als predikant optreedt zonder het te zijn] vgl. hoogduits blecherns [blikken, holachtig]. De uitdrukking daar gaat een dominee voorbij [gezegd als een gezelschap plotseling zwijgt] is vermoedelijk ontstaan in de tijd, dat men stilhield wanneer men de zonde bedreef van bv. dansen en er een dominee langs het pand kwam.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dominee znw. m. is de vocatief domine van lat. dominus ‘heer’, als aanspreektitel der protestantse geestelijken. De verspringing van klemtoon verbonden met de lange ee aan het eind ontstond in de 17de eeuw in de beschaafde kringen met classistische vorming, die de toonloze ǝ als vulgair beschouwden (Heeroma, Ts. 77, 1959-60, 187-202).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dominee znw. De lat. vocatief van dominus “heer,” die in het Nndl. de benaming voor een protestantsch geestelijke geworden is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dominee m., uit Lat. domine, vocat. van dominus: z. dom 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

do’minee (de, -s), (ook:) 1. priester, voorganger of andere geestelijke leider van een niet-christelijk geloof. Zie Hindostaanse en Javaanse dominee*; bij Vianen (1969: 81) ook Islamitische dominee. - 2. oude mannetjesaap die een troep baboens* (brulapen) leidt. Een oud mannetje (door het volk ‘dominé’ genaamd) begint dan, na eerst den geheelen troep rondgekeken te hebben, en laat een zacht kuchend geluid hooren. Dit geluid neemt in kracht toe en ontaardt weldra in het gebrul (Penard 1900 I: 25). - 3. (veroud.) witkoptiran (Grzimek IX: 162), een kleine, zwarte watertiran (vogel) met een witte kop, thans bekend als soeur* (Arundinicola leucocephala). In de kolonie* staat de Witkop Tiran bekend als Dominé of Soeur* (P&P 1910: 208). - Etym.: (1) Vooral in gebr. bij Christenen; in strikte zin is het woord de naam voor een voorganger van een protestants kerkgenootschap. S domri. (2) De naam kan betrekking hebben op het voorgaan in het gebrul, zoals een dominee de gemeente voorgaat in het gezang. S domri. (3) Het uiterlijk van deze vogel lijkt op dat van een dominee in zijn toog. NB i.v.m. 1 en 2 de oudste vindpl. waar d. ‘aanvoerder’, i.c. van Bosnegers* (1), betekent: () dat Baron van Intentie is geweest om nu de Domine zijnde de Plantage IJvershoop te gaan om die aff te loopen [plunderen], zeggende dat aldaar veel geweere was () (verslag 1774, zie De Beet 157).
— : Hindostaan’se domineee, 1. Hindoepriester (pandit*). - 2. Hindostaanse* mohammedaanse priester (maulana*). - Etym.: Zie dominee* (1). - Opm.: Vooral gebr. door Christenen.
— : Javaan’se dominee, Javaanse* geestelijke leider bij de Westbidders*, in het Javaans kaum* geheten. Zijn moeder valt flauw, wordt opgevangen door zijn grootmoeder, die haar op snikkende toon moed inspreekt en de naam van Jehova noemt, terwijl de Javaanse dominee tot Allah bidt (Vianen 1971: 200). - Etym.: Zie dominee* (1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dominee: naam en aansprv. v. “leraar, predikant”; Ndl. dominee, Lat. vokf. v. dominus, “heer”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dominee (Latijn domine, aanspreekvorm)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

dominee. In Huizinga (1997: nr. 1974) vinden wij de uitdrukking dominee, brand je bekje niet. Soms wordt dat aangevuld met pastoor ik ben je gekje niet. Dit dominee heeft niets met ‘predikant’ te maken. Het is een uitroep ‘o Heer’ van het Latijnse Dominus, of een bastaardvloek. Goed met deze uitroep te vergelijken is jeetje, pas toch op! Los van de bastaardvloek dominee, heeft men voor de hele uitdrukking nog geen bevredigende verklaring gevonden. Men waarschuwt er iemand mee die iets gaat eten en drinken dat bijzonder heet is. Ook wordt zij zeer ironisch gebruikt om aan te geven dat de koffie lauw is. Anderen menen dat de uitdrukking eigenlijk luidt dominee, brand je befje niet, omdat er vroeger een kaars op de preekstoel stond en dit dus brandgevaar voor het befje opleverde.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dominee ‘predikant’ -> Engels dominie ‘schoolmeester; predikant; (VS) appelsoort’; Duits dialect Dominee, Domminee, Domineer, Domnee, Domdi, Dumdee, Domnei ‘(soms schertsend) protestantse, gereformeerde of mennonitische predikant’; Duits Domine ‘scheepspredikant (meestal op een Nederlands schip)’; Zuid-Afrikaans-Engels dominee ‘predikant’ ; Zuid-Afrikaans-Engels domine(e) ‘predikant’; Menadonees dominei ‘predikant’; Amerikaans-Engels dialect domine, dominee, dominie ‘predikant; appelsoort’; Negerhollands domine, domni, domnē ‘predikant, zendeling’; Berbice-Nederlands domni ‘predikant’; Papiaments domi ‘predikant’; Sranantongo domri ‘religieus voorganger’; Saramakkaans dómíni ‘predikant, zendeling’; Surinaams-Javaans dhomeni ‘geestelijk leider, priester’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dominee predikant 1619 [De Jonge IV, 149] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

253. Een blikken dominee,

d.i. volgens het Ndl. Wdb. III, 2784 ‘een zeer rechtzinnig en dientengevolge “stijf” predikant’. De beteekenis van blikken is echter niet die van ‘stijf’, maar van onecht, niet vol, van weinig waarde; vgl. hd. blech, Sache von geringem Wert; sinnloses Zeug; blecherne Weisheit, nietsbeteekenende wijsheid; ndl. een blikken, een officier van de administratieWoordenschat, 83, waar ook vermeld wordt blikken Jezus, spotnaam voor een mageren, bleeken man. Aldaar wordt medegedeeld, dat men onder ‘een blikken domine’ verstaat: ‘een eigengemaakte, een nagemaakte domine, tusschen 1850-'60 de naam van een bedelaar, die te Amsterdam rondliep. Oorspr. komt de naam te Utrecht voor, waar voor veertig jaar een blikslager woonde, die voor predikant gestudeerd had, maar mislukkende, in de zaak zijns vaders kwam. Zijn lust tot preeken en oefeningen leiden bleef hem bij en daardoor kreeg hij den naam van blikken domine.’. ‘Een blikken domine’ is een straatprediker of een oefenaar (Ndl. Wdb. II, 2847). Voor plaatsbewijzen zie Nav. XXIX, 262; Nkr. II, 6 Dec. p. 6: Daarbij plechtige gebaren makend, van een blikken dominee afgekeken; IV, 25 Dec. p. 6; VIII, 10 Jan. p. 2; Amst. 62: Hij is fijn geworden!... 't is de blikken dominee, hij is van 't hondje gebeten; Kmz. 50; Kent. 35: Toen kijkt-ie me an met z'n valsche smoel, als 'n blikke dominée bij 'n sterfbed; Twee W.B. 91: Ach, blikke domenee, wou je met mij ruzie zoeken? Groot Nederland, Oct. 1914, bl. 419: Laat onzen lieven Heer 'r buiten - stel je niet as 'n blikken dominee an; Handelsblad, 2 Maart 1914 (avondbl.) p. 1 k. 2: De vroegere minister joeg op de Jantjes een blikken dominée af, die onder den eenen arm den Heidelbergschen catechismus droeg en onder den anderen Bunjam's pelgrimsreis naar de eeuwigheid; 24 Dec. 1915 p. 2 k. 1 (ochtenbl.); Amsterdammer, 13 Dec. 1914 p. 7 k. 1: Als niet te kwader ure op commando van een of anderen ‘blikke-domine’ van 'n legislateur wij Amsterdammers zoo buitengewoon fatsoenlijk waren geworden; enz. Vgl. hd. ein blecherner Heiland, religionslehrer.

443. Daar gaat een dominé voorbij.

Deze zegswijze wordt gebruikt, wanneer in een gezelschap plotseling allen zwijgen. Hoogstwaarschijnlijk heeft de uitdr. hieraan haar ontstaan te danken, dat men in een gezelschap uit vrees voor de berisping of de terechtwijzing van een predikant of den kerkeraad bij een danspartij, eene duivelsche zonde, plotseling ophield, bij de waarschuwing dat er een dominé of een ouderling voorbijging. Gekscherender wijze wordt dit nu ook gezegd, wanneer te midden van een druk gesprek een plotselinge en onverwachte stilte heerscht, alsof er onverwacht een predikant langs de deur ging, die over het een of ander onvertogen woord, dat hij kon hooren, de aanwezigen zou kunnen onderhouden. Vgl. o.a. Mgdh. 201: Als het lawaai even ophoudt, beweert meneer Gorissen dat er 'n dominee voorbijgaat; Kmz. 275: Daar gaat 'n dominee, 'n pastoor en 'n rabbi voorbij, zei Busse uit den toon. - Ja, hoe vreemd als 't zoo ineens stil is, beweerde juffrouw Henriette Rons.

De Grieken zeiden hiervoor Ερμης επεισηλε; de Duitschers en de Spanjaarden es geht ein Engel durchs Zimmer of es flog ein Engel durchs Zimmer; pasado un angel; da kommt ein Leutnant in den Himmel (of wird selig); ein Offizier bezahlt seine Schulden; et genk en Polizeidainer düärt Sâl (of de Stuawe; Wander, III, 1372); fr. un ange vient de passer. Zie Suringar, Erasmus, 212; De Roever, Van Vrijen en Trouwen, 225; De Cock1, 273; Reuter, 25; Harreb, I, 142 a en vgl. het fri.: der giet in dominy foarby of dominy komt er oan. In Zuidndl. dial. zegt men hiervoor: Nu zou 't goed zijn om peeën, haver of lijnzaad te zaaien; bij ons 17de eeuw en dial. nog: 't Is hier goed haver of speuriezaad zaaien (Ndl. Wdb. VI, 147); hd. es wäre gut Hafer säen (Wander II, 257). Zie no. 245.

444. Dominé brand je bekje (of befje) niet,

zegt men om iemand te waarschuwen niet iets te eten of te drinken dat zeer warm is; ook in 't algemeen als aanmaning om voorzichtig te zijnBij ‘dominee’ zal wel niet aan een predikant gedacht moeten worden. Het is een uitroep met de beteekenis: o heer! of een verbastering van God verdomme.. Vgl. Harreb. I, 44: Dominé! brand je bekje niet; Menschenw. 328: Dominie hiet! paa's d'rop en bran je bekkie niet, schaterde de Bode; bl. 517: Domeni hiet.... brand je bekkie niet! Molema, 501: Doomnie, bran joen bekje nijt, 't is koffie van eerguster, in ernst van heete, in scherts van lauwe koffie gezegd; fri. poeske baern de bek net! (Aanv.) Zie Ndl. Wdb. II, 1351, waar als antwoord op deze waarschuwing vermeld wordt: Pastoor, ik ben zoo'n gekje niet.)

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut