Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-dom - (achtervoegsel dat abstracte zn. maakt van bn.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-dom achterv. dat abstracte zn. maakt van bn.
Onl. -duom in heiligduom ‘heiligdom’, uuisduom ‘wijsheid’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. -dom, en ook bijv. biscdume ‘bisdom’ [1201-5; CG II, Servas].
Hetzelfde woord als → doem, in de betekenis ‘stand, eer’, die naast de oorspr. betekenis ‘oordeel’ bestond. In samenstellingen was het onbeklemtoond en werd het afgezwakt tot -dom.
Os. -dom; ohd. -tuom; oe. -dom; on. -dómr; < pgm. *-dōma- ‘toestand, eigenschap’.
Oorspr. werd -dom met een zn. gebruikt: ohd. biscoftuom ‘stand, waardigheid van bisschop’, dan ‘bisdom’. Later werd het gebruikt om abstracta te maken bij bn., zoals in de Oudnederlandse voorbeelden. Tegenwoordig wordt in plaats van dit achtervoegsel eerder → -heid gebruikt.
Lit.: L. Koelmans en E. Franssens-Rammeloo (1979) ‘Uit de geschiedenis van de Nederlandse achtervoegsels II: het suffix -dom’, in NTg 72, 37-44

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-dom* [achtervoegsel ter vorming van zn.] {in bv. bischdume, bischdoem 1201-1250} oudsaksisch -dōm, oudhoogduits -tuom (hoogduits -tum), oudengels -dōm (engels -dom), hetzelfde als doem in de oorspr. betekenis van (middelnl.) ‘oordeel, rechterlijke uitspraak’, i.h.b. van het volk t.o.v. de vorst.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

dom

Behalve als zelfstandig naamwoord in de betekenis: bisschoppelijke hoofdkerk (de Dom van Utrecht) komt het woord dom voor als bijvoeglijk naamwoord en als achtervoegsel. De vraag of wij met hetzelfde woord te maken hebben moet ontkennend worden beantwoord. Het woord dom: kerk is ontleend aan het Latijnse domus: huis. Het woord dom: met weinig verstand begaafd is een algemeen Germaans woord, dat in het Duits dumm luidt, in het Engels dumb, in het Zweeds dum. Het is waarschijnlijk verwant met doof. Men bezigt het niet alleen in de zin van: alle verstand missend, maar ook in die van: waarbij het verstand niet gebruikt behoeft te worden en spreekt dus van dom werk. Het woord‑dom tenslotte in adeldom, rijkdom, ouderdom enz. betekent: staat, toestand.

aartsbisdom

Dit woord heeft een voorvoegsel en een achtervoegsel waartussen het hoofdwoord bis enigszins in de knel is geraakt. Bis is namelijk een samentrekking, een verkorting van bisschop. Het voorvoegsel aarts- is van Griekse oorsprong en luidde in die taal archi: eerste, voornaamste. Het was aenvankelijk vooral in kerktaal gebruikelijk: aartsengel, aartsvader, aartsbisschop. Later, misschien via aartsketter, bezigde men het ook voor persoonsnamen om aan te duiden dat iemand een slechte hoedanigheid in de hoogste mate bezit. Zo ontstonden aartsdeugniet, aartsboosdoener en vele andere. De oudste betekenis van‑dom, dat verwant is met het werkwoord doen, is: toestand, staat. Zo zijn adeldom, maagdom en ouderdom gevormd. Ook vormt het woorden die een gebied aanduiden. Daartoe behoren behalve bisdom ook hertogdom en vorstendom.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

-dom 3 achtervoegsel, alleen westgerm. ond. -dōm, ohd. -tuom, oe. -dōm, terwijl on. -dōmr jong is en uit het oe. zowel als uit het mnd. kan zijn overgenomen. Het is eigenlijk het woord doem, dat ook ‘stand, eer’ betekende en dus in samenstellingen als mnl. keyserdoem, bisschopdoem, ond. kēsurdōm, jungardōm, ohd. meistartuom, munihtuom, oe. ealdordōm, cynedōm, on. jarldōmr, konungsdōmr in de oude bet. optreedt. Later vormde het suffix ook abstracta van bnw., zoals mnl. rijcdoem, ond. wīsdōm, ohd. frītuom, oe. hālegdōm.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-dom III, nominaalsuffix. Zie doemen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

-dom 5 suffix, Mnl. -dom, -doem, Onfra. -duom: is in alle Germ. , uitgen. Go., het als achtervoegsel gebruikte zelfst.nw. waarvan doemen is afgeleid, namelijk Mnl. doem, Os. dôm + Ohd. tuom (Mhd. tuom, Nhd. -tum: dit laatste alleen suffix), Ags. dóm (Eng. als zelfst.nw. doom, als suff. -dom), Ofri. dóm, On. dómr, Go. doms = oordeel, wet, waardigheid + Skr. dhāma = woonplaats, toestand, wet, Gr. thṓmos = hoop, thémis = wet: van denz. wortel als doen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

-dom: agterv., in Ndl. en Eng. -dom en in Hd. -tum, maar vroeër selfs. wd. wat verb. hou m. Ndl. doem(en), Eng. doom/deem, hoofs. Germ. verw.; i. s. sy rol by wdvg. in Afr. vgl. Kern WFA 348-9.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut