Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dom - (niet wijs)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dom 2 bn. ‘dwaas’
Onl. (verbogen vorm) dumba ‘domme’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. dum(b), dom(b) ‘dom’, vgl. dompe horsamheit ‘bijgeloof’ [1240; Bern.], van dommen rade ‘door dwaze raad’ [1287; CG II, Nat. Bl. D].
Wrsch. verwant met de wortels van → doof en → stom.
Os. dumb ‘dom, dwaas’; ohd. tumb ‘dom, dwaas’ (nhd. dumm); ofri. dumb ‘stom’ (nfri. dûm ‘dol, woest’, dom ‘dom’); oe. dumb ‘stom’ (ne. dumb); on. dumbr ‘stom’ (nzw. dumm ‘stom, dom’); got. dumbs ‘stom’; < pgm. *dumba- ‘stom’, waarvan de herkomst niet zeker is. Wrsch. is het een genasaleerde vorm *du(m)ba- bij de wortel van pgm. *dauba-, zie → doof. Hiervan kwam immers ook een nultrap *duba- voor in ohd. tob ‘waanzinnig, razend’ (waarbij ohd. tobōn, nhd. toben ‘razen, tieren’), en bijv. ook het bn. ohd. tūbar ‘stompzinnig, dom’. Ook de wortel van → stom wordt hiermee in verband gebracht. De wisseling van vormen zonder en met nasaal wijst in de richting van een substraatwoord. Zie ook → dwepen.
Lit.: Heidermanns 163, 164, 166

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dom4* [niet wijs] {oudnederlands dumba 901-1000, middelnederlands domp, dom [dom, dwaas]} oudsaksisch dumb [dom], oudhoogduits tumb [stom, doof, dom], oudfries dumb, dumm [stom, dom], oudengels dumb, gotisch dumbs, oudnoors dumbr [stom]; de oorspronkelijke betekenis van deze woorden is ‘stom, niet kunnende spreken’; de herkomst is onzeker maar samenhang met doof lijkt waarschijnlijk.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

dom

Behalve als zelfstandig naamwoord in de betekenis: bisschoppelijke hoofdkerk (de Dom van Utrecht) komt het woord dom voor als bijvoeglijk naamwoord en als achtervoegsel. De vraag of wij met hetzelfde woord te maken hebben moet ontkennend worden beantwoord. Het woord dom: kerk is ontleend aan het Latijnse domus: huis. Het woord dom: met weinig verstand begaafd is een algemeen Germaans woord, dat in het Duits dumm luidt, in het Engels dumb, in het Zweeds dum. Het is waarschijnlijk verwant met doof. Men bezigt het niet alleen in de zin van: alle verstand missend, maar ook in die van: waarbij het verstand niet gebruikt behoeft te worden en spreekt dus van dom werk. Het woord‑dom tenslotte in adeldom, rijkdom, ouderdom enz. betekent: staat, toestand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dom 2 bnw. mnl. dom, domp ‘dom, dwaas’ (Kiliaen ook ‘doof’), onfrank. dumb ‘dom’, os. dumb ‘dom’, ohd. tumb ‘stom, doof, dom’, ofri. dumb, dumm ‘dom, stom’, oe. dumb ‘stom’, on. dumbr, got. dumbs ‘stom’. — Het germ. *dumba is wel het best te verklaren als een geanaliseerde vorm naast *dauƀa, waarvoor zie: doof. Grondbet. schijnt dus wel ‘doof-stom’, waaruit zich die van ‘achterlijk’ gemakkelijk ontwikkelen kon.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dom II bnw., mnl. dom, domp (b) “dom, dwaas”, bij Kil. ook “doof”. = onfr. dumb “dom”, ohd. dumb “stom, doof, dom” (nhd. dumm is naar den vorm ndd.), os. dumb “dom”, ofri. dumb, dum(m) “dom, stom”, ags. dumb “stom” (eng. dumb), on. dumbr, got. dumbs “id.”. De bet. “dom” is secundair, vgl. bijv. ndl. stom, dat ook = “dom” gebruikt wordt. Wsch. een genasaleerde vorm van den bij doof besproken wortel dhubh-. Minder wsch. is de formeel mogelijke combinatie met gr. táphos (*dhṃbhos), tháubos “verbazing”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dom II bnw. — In domoor is het tweede lid bevreemdend; de samenst. zou semantisch beter te begrijpen zijn, als we uit mochten gaan van de door Kil. voor dom opgegeven bet. ‘doof (‘slechthorende’ > ‘trage van begrip’). Deze bet. wordt echter uit het Mnl. en Nnl. niet bevestigd, zodat wij met v.Lessen Samengest. Naamw. 103 mogen vermoeden, dat domoor gevormd is naar Kil. oudnnl. botoor ‘homo stolidus et pingui iudicio’, dat oorspr. ‘slechthorende’ zal hebben betekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dom 4 bijv.(niet slim), Mnl. dom, domp, Onfra. dumb + Ohd. tumb (Mhd. tump, Nhd. dumm), Ags. dumb (Eng. id.), Ofri. dumb, On. dumbr (Zw. en De. dum), Go. dumbs: bet. overal stom, alleen in ’t Ndl. en Nhd. = dwaas; nasaleering van den wortel van doof.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

dom b.nw.
1. Met min verstand, sonder insig, onnosel. 2. Lomp, gevoelloos.
Uit Ndl. dom (al Mnl.) 'dom, dwaas', ook 'doof'. Uit die grondbetekenis 'doofstom' het die bet. 'agterlik' ontwikkel.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1878).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dom ‘niet wijs’ -> Zuid-Afrikaans-Engels dom ‘niet wijs’ ; Amerikaans-Engels dumb ‘niet wijs’ (uit Nederlands of Duits); Negerhollands dom, dum ‘niet wijs, stom’; Berbice-Nederlands dum ‘niet wijs’; Sranantongo don (ouder: dom) ‘niet wijs’; Saramakkaans dón ‘niet wijs’ ; Surinaams-Javaans dong ‘niet wijs’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

een beetje dom [uitspraak] (2001). Eind maart 2001 maken Willem-Alexander en Máxima hun verloving bekend op de Nederlandse televisie. Máxima, die bijzonder goed Nederlands blijkt te spreken, noemt de verwijzing van haar aanstaande naar een open brief van Videla, in verband met het verleden van Máxima’s vader, “een beetje dom”. Haar uitspraak wordt direct gevleugeld. In de rest van het jaar maken Willem-Alexander Máxima de zogeheten Máximatour, een kennismakingstour door Nederland.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dom* niet wijs 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

442. Te dom (of te stom) om voor den duivel te dansen,

d.w.z. zeer dom zijn; vgl. Harreb. I, 142: Hij is te dom om voor den duivel te dansen; in Kmz. 335; 356 en Nest. 24: Te stom om voor den duivel te dansen; Het Volk, 8 Dec. 1913, p. 1 k. 2: De parvenu, zelf vaak te dom om voor den duivel te dansen, moet in al zijn uitingen het bewijs leveren dat hij een nietsnut is; Molema, 83; fri. to dom om foar de divel to dounsjen. Evenzoo in Zuid-Nederland; zie o.a. Antw. Idiot. 362.

632. Zich van de gekken houden,

meestal zich van den gekke houden, d.w.z. ‘zich houden alsof men “van den gekken” was, als een lid van het narrengild, en dus in 't algemeen: zich houden alsof men gek was. Doch bij uitbreiding genomen in den bepaalden zin van zich dom of onnoozel houden, zich voordoen alsof men van de zaak niets af weet of iemands bedoeling niet vat; t.w. omdat men zich niet wil uitlaten of zich van lastige vragers en indringers wenscht af te maken. In denzelfden zin zegt men ook zich van de(n) malle(n) houden (18de eeuw); bij uitbreiding ontstond daarnevens de zegswijze zich van de dommen of den domme houden, die thans zelfs de meest gewone is.’ Zie het Ndl. Wdb. IV, 941; IX, 132; III, 2777.

1663. Oliedom zijn,

d.w.z. bij uitstek dom, uiterst onverstandig zijn: te dom of stom om voor den duivel te dansen (fri. to dom om foar de duvel to dounssen); amper of even voor vuur en licht bewaard zijn (dial.); hij is te dom, om alleen bij het vuur te zitten (Harreb. II, 427); fri. oaljedom. Deze uitdrukking komt sedert de 18de eeuw voor o.a. C. Wildsch. I, 251; Brieven v. B. Wolff, 413; Ndl. Wdb. X, 115; vgl. het dial. traandom (Taalgids VIII, 113Joos, 125; Loquela, 372.); in Zuid-Nederland oliedom naast ovendom; hoorndomVgl. ook Het Volk, 8 Dec. 1913, p. 1 k. 2; Kmz. 335; 356.. Voor de verklaring vergelijke men broodmager, kiplekker (no. 1152); hd. gerührt sein wie Apfelmus; grob sein wie Bohnenstroh; zoo onnoozel als pompwater, op een dwaas gezegde (Waasch Idiot. 531 b); zoo vet als een slak (dronken); dat spreekt als een petje, dat spreekt van zelf; hij gaat af als een reiger, hij druipt af, omdat hij niets weet te antwoorden, en dergelijke, waarin aan woordspel met twee verschillende beteekenissen van het bijv. naamw., het zelfst. naamw. of een wkw. moet worden gedacht. Oliedom is dan in eig. zin zoo dom, d.i. traag, loom, vadsig, lui, als (traag vloeiende) olie, in welken zin dom dial. nog bekend is. Zoo zegt men in Zuid-Nederland dom zijn van de hitte, zwaarhoofdig, suf zijn van de hitte (vgl. dommelen en Tuerlinckx, 125; Rutten, 54; Schuerm. 99 a; De Bo, 246). In de Zaanstreek spreekt men van domme handen, verkleumde handen, onbruikbaar door de koude (Boekenoogen, 159).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal