Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dokter - (arts)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dokter zn. ‘arts’
Vnnl. in Zijt ghy een medicus of doctor? ‘Bent u student of doctor in de geneeskunde?’ [1576; WNT], salaris van doctor en chirurgijns, aptekerie [1597; WNT Supp. apothekerij]; nnl. dokter [1822; WNT zieke I].
Vernederlandsing van → doctor in de betekenis ‘geneesheer’, als verkorting van Latijn medicinae doctor of Nederlands doctoor in medecynen.
Deze aanpassing aan de Nederlandse fonologie (geen volle klinker in onbeklemtoonde eindlettergreep) en spelling (c > k) heeft kunnen plaatsvinden omdat deze aanspreektitel in alle gelederen van de bevolking gebruikt werd, dit in tegenstelling tot doctor ‘iemand met doctorstitel’, dat in het algemeen beperkt bleef tot academische kringen, waar de ontlatinisering pas in de 20e eeuw heeft plaatsgevonden. Dokter en doctor zijn inmiddels zodanig van elkaar losgekoppeld dat een dokter geen doctor ‘iemand met doctorstitel’ meer hoeft te zijn. In Brabantse dialecten in België komt doktoor voor, volgens het WNT gebaseerd op de verbogen naamvallen van het Latijnse bronwoord; maar wellicht heeft de eindklemtoon van Frans docteur ook een rol gespeeld.

EWN: dokter zn. 'arts'; de vorm dokter (1822)
ANTEDATERING: Och! die koorts sal wel genesen: / Want 'er Docter is ér al [1650; Smeerbol, 110]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dokter [arts] {docter [geleerde, leraar] 1265-1270, doctoor 1451-1500; in de betekenis ‘arts’ 1615} < latijn doctor, oorspr. gebruikt voor kerkleraar, dan voor doctor legis [wetgeleerde] en vervolgens voor medicus (vgl. doctor).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dokter znw. m., kreeg eerst later de bijzondere betekenis van ‘arts’; Kiliaen kent nog alleen doctor als academische graad.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dokter znw., in de tegenwoordige bet. nog niet bij Kil. Ook elders heeft de academische graad doctor de bet. “arts” aangenomen; hd. doktor m. “arts” sedert 1500, ’t eerst in een Straatsburger tekst. In het Mnl. komt doctoor m. “geleerde, leeraar” voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dokter. Doctor ‘medicus’ al bij Coornhert.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dokter 1 m. (arts), uit Lat. doctor, afgel. van het v.d. van docere = onderwijzen: z. discipel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3dok s.nw. (geselstaal)
Dokter, doktor.
Verkorting van dokter of doktor, wsk. onder invloed van Eng. doc (1850).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

doch’ter (de, -s), (ook, en dan beschouwd als slecht N:) dokter. Zie je die man daar, achter het stuur van die auto, hij is mijn dochter (Fernandes z.j.: 32). - Etym.: In het SN komt de uitspraak k voor ch of g incidenteel voor bij vele woorden. Dochter voor ‘dokter’ is in dit licht een hypercorrectie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dokter (Latijn doctor)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

dokter. Loop met je pis naar de dokter!; ga met je water naar de dokter!; en loop met je pis naar Bijsterveld! zijn drie verwensingen die ik uitsluitend bij Sanders en Tempelaars (1998) heb aangetroffen. Bijsterveld noem ik onder dit trefwoord omdat Bijsterveld staat voor de kruidkundige, chemicus en piskijker Pieter van Bijsterveld (1870-1950), die in Vlaardingen en Rotterdam praktijk hield. De verwensingen hebben alledrie hun oorspronkelijke betekenis verloren. Zij zijn afgezwakt tot ‘maak dat je wegkomt, ik wil niets meer met je te maken hebben’. De emoties die zij uitdrukken, wijzen op minachting, afkeer, ergernis, teleurstelling enz. In Onze Taal 1998, blz. 100-101, beschrijft Ewoud Sanders omstandig de etymologie van loop met je pis naar Bijsterveld! En hij doet meer, hij laat er ook een foto bij afdrukken van Pieter van Bijsterveld met ‘zeiksnor’. → Bijsterveld, klarinetkanker, koorts, mierennest.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dokter (arts) van ’t Lat. dócere = leeren, onderwijzen; dus: de man die geleerd, gestudeerd heeft.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dokter ‘arts’ -> Shona dhokotera ‘arts’ ; Indonesisch dokter ‘arts’; Ambons-Maleis dokter ‘arts’; Atjehnees tòtò ‘arts’; Boeginees dôtoró ‘arts’; Iban doktor, lutor ‘arts’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis doktor ‘arts’; Javaans dhokter ‘arts’; Kupang-Maleis dokter ‘arts’; Madoerees dhoktēr ‘arts’; Makassaars dôttoró ‘arts’; Menadonees dokter ‘arts’; Minangkabaus doto, dotor ‘arts’; Muna dotoro ‘arts’; Nias doto ‘arts’; Rotinees dòte ‘arts’; Soendanees doktor ‘arts’; Japans dokutoru ‘arts’; Negerhollands doktu, dokter ‘arts’; Papiaments dòkter, dòchter, dòktu (ouder: dokter) ‘arts’; Sranantongo datra ‘arts, geneesheer, medicus’; Aucaans dataa ‘arts’; Karaïbisch datra ‘arts’ ; Sarnami dáktar ‘arts’; Surinaams-Javaans dhokter ‘arts’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) dacta ‘arts’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dokter arts 1576 [WNT] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2537. Hij is met dat water al eens meer voor den dokter geweest,

eig. die ziekte heeft hij al meer gehad, dat zelfde geval heeft hij al meer ondervonden; hij heeft daar ervaring van; eene herinnering aan den tijd, toen de dokter veelal de ziekte opmaakte uit de urine; Huygens, Korenbl. II, 412Vgl. in de middeleeuwen de benaming kijcpisse, later piskijker; zie Taal en Letteren III, 169.. Zie W. Leevend, II, 126: Ik heb ook elfmaal met den Prins over de Maas, en met dat water by den Docter geweest; Br. v.B. Wolff, 114: Je weet ik bin en vrouw van veul ondervinding en ik heb zo dikkels met de Prins over de Maas geweest, ik heb zo dikwyls met dat water voor den dokter geweest; Harreb. I, 141 a; Oude Tijd, 1871, bl. 308; Molema, 579: al voaker mit dat woater veur dokter west hebben, al vaker in hetzelfde onaangename geval verkeerd hebben; in het Friesch: hy het faker mei dat wetter foar 'e dokter wêst, hij heeft in dat werk ervaring opgedaan. Op Goeree en Overflakkee: Hij zal met het water voor den dokter moeten komen, hij zal opening van zaken moeten geven, syn. van nu moet hij met zijn billen bloot komenN. Taalgids XIII, 138 en vgl. de uitdr. zien wie de blankste billen heeft, wie 't wint, wie het 't best kan (Ndl. Wdb. II, 2690)..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut