Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dok - (inrichting voor scheepsreparaties)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dok zn. ‘soort ligplaats voor schepen’
Vnnl. docke ‘dok’ [1525; MNHWS], dokke ‘haven, rede’ [1669; Meijer].
Of het van origine een Nederlands woord is of een ontlening aan Middelengels of Middelnederduits is niet duidelijk. In het Engels komt dock ‘dok’ al in 1434 voor. In verband met Londen spreekt een Middelnederduitse tekst van de Hanze over de man die het schip in de docke lede ‘de dokken in leidt’. Meestal wordt aangenomen dat het woord teruggaat op middeleeuws Latijn ducta, doctus, doccia ‘waterloop’, dat behoort bij het werkwoord dūcere ‘leiden’ (zie → conducteur). Bij de middeleeuws-Latijnse vormen wordt o.a. door Kluge21 verwezen naar een mnl. docke ‘waterloop’, dat echter niet in MNW en MNHWS voorkomt en mogelijk een spookwoord is. Als het Middelnederlandse woord wel bestaat, kan men de volgende ontwikkeling denken: vermoedelijk duidde het de vore aan die door een schip werd veroorzaakt als het bij vloed op de oever werd getrokken. Deze bedding werd later door een wal omgeven om het water buiten te houden en het schip te kunnen repareren. Later werd er een kunstmatige bedding gemaakt met sluizen.
Mnd. docke; me. dock (ne. dock); nzw. docka.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dok1 [inrichting voor scheepsreparaties] {docke [afgesloten kom waarin men aan schepen werkte] 1525} waarschijnlijk < middeleeuws latijn ducta, ductus, doctus, doccia [waterloop, kanaal, bassin, het weglopen van het water], ductile [molentocht, kraan, dijk], van ducere (verl. deelw. ductum) [voeren, leiden] (vgl. duce, douche). Een andere mogelijkheid is dat het woord ablautend bij duiken staat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dok 1 znw. o., mnl. docke v., doc o. ‘scheepsdok’, mnd. docke (maar blijkbaar een ontleend woord); ne. dock, dat evenals nhd. dock, noorw. dok, de. dokke, zw. docka en fra. dock aan het nl. ontleend zal zijn. Een typische scheepsterm van de Noordzee-kust.

Het woord is moeilijk te verklaren. Kiliaen noemt dit docke verouderd, maar geeft als andere bet. ‘kooi’ en het mnl. docke betekent ook ‘klos, blok’ (dus misschien dienend om het schip op het droge te steunen?). Ne. dock ‘kan ook afgesloten ruimte (voor gevangenen)’ betekenen. Een afleiding van duiken (FW 122) is wegens de betekenis weinig waarschijnlijk. Kluge-Mitzka 136 leiden het woord af van mnl. docke ‘watergeul’ (dat het Mnl. Handwb. niet vermeldt) en dit weer uit lat. ductus ‘leiding’. Alles zeer onzeker. — In het fra. werd het woord reeds 1679 in de vorm dogue overgenomen (Valkhoff 109).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dok znw. o., mnl. docke v., doc o. (Mnl. Handwdb.), Kil. “docke, vetus. Navale”. = mnd. docke o., eng. dock. Dit laatste woord komt wellicht evenals de. dokke, zw. docka van de ndl.-ndd. kust. Of de bet. “kooi”, die Kil. als vla. opgeeft en de eng. bet. “afgesloten ruimte (voor gevangenen)” jonger zijn of ouder dan “dok”, is onzeker. Misschien behoort dok bij duiken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dok. Mnd. docke v. (niet o.) komt slechts als vreemd woord in mnd. teksten voor. Het woord zal dus aan de ndd. kust niet vanouds inheems geweest zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dok 1 o. (ligplaats), + Eng. dock: oorspr. onbek.; uit die talen het Hgd. docke, De. dokke, Zw. docka, Fr. dock.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1dok s.nw.
Aanlêplek vir skepe waar herstelwerk gewoonlik gedoen word.
Uit Ndl. dok (Mnl. docke). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Dock (18de eeu), Eng. dock (1486), Fr. dock.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dok I: “aanlêplek v. skepe in hawe”; Ndl. dok (Mnl. docke, so ook by Kil wat dit reeds as veroud. noem) en hieruit wsk. Hd., Eng. en Fr. dock (in lg. reeds in 17e eeu as dogue), herk. onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’ -> Engels dock ‘ankerplaats; inrichting voor scheepsreparaties; laadperron’; Duits Dock ‘inrichting voor scheepsreparaties’ (uit Nederlands of Engels); Oost-Jiddisch dokn ‘inrichting voor scheepsreparaties; kade, pier, havenhoofd’ ; Deens dok ‘inrichting voor scheepsreparaties, havenbassin dat waterstand reguleert’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds docka ‘inrichting voor scheepsreparaties’ (uit Nederlands of Engels); Fins tokka ‘inrichting voor scheepsreparaties’ ; Ests dokk ‘inrichting voor scheepsreparaties’ (uit Nederlands of Duits); Frans dock ‘havenkom voor het laden en lossen van schepen; pakhuis bij de havenkom’ ; Italiaans dock ‘(aanleg)haven’ ; Portugees doca ‘deel van een haven, omringd door muren en kaden, waar schepen aanleggen en de vracht laden of lossen’ ; Bretons doker ‘havenarbeider’ ; Tsjechisch dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’ ; Slowaaks dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’ ; Pools dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’; Servisch dok ‘plaats in de haven voor laden en lossen’; Russisch dok ‘scheepsdok’; Bulgaars dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’; Oekraïens dok ‘scheepsdok’ ; Wit-Russisch dok ‘scheepsdok’ ; Azeri dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’ ; Litouws dokas ‘mechanisme waarmee men schepen opneemt om ze na te zien en te repareren’ (uit Nederlands of Engels); Grieks vtok(i), ntokos /dok(os)/ ‘inrichting voor scheepsreparaties’ ; Maltees dokk ‘inrichting voor scheepsreparaties’ ; Esperanto doko ‘haven met sluizen en kades voor het laden, lossen en repareren van schepen’ ; Turks dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’ ; Koerdisch dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’ ; Indonesisch dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’; Jakartaans-Maleis dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’; Makassaars ‘inrichting voor scheepsreparaties’; Menadonees dok ‘inrichting voor scheepsreparaties’; Japans dokku ‘inrichting voor scheepsreparaties’;? Koreaans tokk'ŭ ‘inrichting voor scheepsreparaties’ ; Papiaments dòk ‘inrichting voor scheepsreparaties’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dok inrichting voor scheepsreparaties 1525 [HWS] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut