Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dogma - (leerstelling; geloofsleer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dogma zn. ‘leerstelling; geloofsleer’
Vnnl. dogma ‘leerstuk, grondleer’ [1654; Meijer]; nnl. leerstellingen (dogmata) [1804; WNT leerstelling], dogme ‘leerstuk’ [1805; Meijer], dogma ‘leer’ [1865; WNT twijfelen], ‘geloofsleer’ [1866; WNT ziel I], ‘starre geloofsleer’, [1871; WNT vereeniging], ‘starre leer’ [1876; WNT versteenen].
Ontleend aan Latijn dogma ‘mening, leerstelling’ < Grieks dógma bij het werkwoord dokeĩn ‘veronderstellen, toeschijnen, menen’.
Dogma was oorspr. een neutraal woord, dat o.a. een leerstelling van de Kerk aanduidde. In de loop van de tijd kreeg het een negatieve connotatie, doordat de dogma's van de kerken maar ook dogma's bij filosofen als star werden ervaren. Hierdoor ontstond een betekenis ‘starre leerstelling’, die ook overdrachtelijk buiten de kerk kon worden gebruikt. De negatieve connotatie ging over op dogmaticus en dogmatisch.
dogmaticus zn. ‘iemand die dogma's aanhangt; rechtlijnig mens’ [1864; WNT]. Ontleend aan het Latijnse bn. dogmaticus ‘volgens de leerstelling’. ♦ dogmatisch bn. ‘op een dogma gegrond; fanatiek’ [1793-96; WNT]. Al dan niet via Frans dogmatique [1537; Rey] ontleend aan Latijn dogmaticus, met aanpassing van het achtervoegsel

EWN: ♦ dogmaticus zn. 'iemand die dogma's aanhangt; rechtlijnig mens' (1864)
ANTEDATERING: De Eerste worden te regt "Dogmatici" genaamt [1754; Nieuwentyt, *2v]
EWN: ♦ dogmatisch bn. 'op een dogma gegrond; fanatiek' (1793-96)
ANTEDATERING: een dogmatisch geschrift [1707; Nieuwe Samenspraek, 119]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dogma [vastomlijnd geloofsartikel] {1804} < latijn dogma < grieks dogma [mening, in pregnant gebruik principe, leerstelling, in chr. verband dogma], van dokeō [ik meen, geloof], verwant met latijn decēre [passen] (vgl. decent, paradox).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

dogma s.nw.
Vasomlynde (kerklike) leerstuk waaroor nie meer geredeneer kan word nie.
Uit Ndl. dogma (1654).
Ndl. dogma uit Latyn dogma uit Grieks dogma 'mening, prinsipe, leerstelling', lett. 'dit wat 'n mens dink waar is'; in Christelike verband in die bet. 'dogma', van doleo 'ek meen, glo'.
D. Dogma (16de eeu), Eng. dogma (1541), Fr. dogme, It. dogma, domma, Port. dogma, Sp. dogma.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dogma (Latijn dogma)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dogma ‘vastomlijnd geloofsartikel’ -> Indonesisch dogma ‘vastomlijnd geloofsartikel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dogma vastomlijnd geloofsartikel 1804 [WNT leerstelling] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut