Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dogger - (vissersschip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dogger zn. ‘kabeljauwvisser; vissersschip; vistuig voor zoetwatervisserij’
Mnl. dogger wrsch. ‘hij die met een sleepnet vist, die bepaalde zeevissen vangt’ [1445; MNW]; dogger ‘vissersboot’ [1481; MNHWS], doggers (mv.) ‘vissers’ of ‘vissersboten’ [15e eeuw; MNW boorte]; doggher ‘werpnet’ [1599; Kil.], doggher ‘botschip, haringschip’ [1599; Kil.].
Wrsch. een afleiding van dog ‘kabeljauw’, pas ontegenzeglijk geattesteerd in het Vroegnieuwnederlands [1537; WNT dog II], dus letterlijk ‘kabeljauwvisser(sboot)’, of anders een afleiding van vnnl. dog ‘soort vistuig, hoekwant’, ook eerst vnnl. geattesteerd [1516; WNT dog II], dus ‘boot met zeker type vistuig’. Zowel dog ‘kabeljauw’ als dog ‘hoekwant’ zijn van onduidelijke oorsprong.
Het is niet duidelijk of Middelnederlands dogger is ontleend aan Middelengels doggere of omgekeerd.
Me. doggere ‘vissersschip’ [1356]; oijsl. fiski-duggur (mv.) ‘Engelse vissersschepen’ [1413] (nijsl. dugga ‘klein vissersschip’).
Doggersbank, waar men met doggers op kabeljauw viste, is vrijwel zeker gevormd met me. doggere of mnl. dogger: de Doggersbank was bij de doggers in trek vanwege de rijkdom aan kabeljauw. Doggersand komt al voor bij Kiliaan [1599].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dogger [visser ter kabeljauwvisserij] {1445} wel van middelnederlands dogg(h)e [kabeljauw], vgl. doggevisch, doggebuys en engels dogger; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dogger 1 znw. m. ‘vissersschuit’ (bijzonder voor de kabeljauwvangst), sedert Kiliaen vermeld. Ook in het ne. dogger ‘hoeker’ (sedert 1491 bekend), waarvan men het nnl. woord heeft willen afleiden, maar eerder door het eng. ontleend (sedert 1336, vgl. Toll 47, daarvan ook Doggersbank); vgl. ook mnl. doggher ‘visser’ van dogghe ‘vissersschuit’. Daar dit woord vooral op de kabeljauwvangst betrekking heeft, herinnert Heeroma Ts. 61, 1942, 45-77 aan het woord dogge voor ‘kabeljauw’ (reeds 1514), waarvan de herkomst echter ook onzeker is (zie echter: dog).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dogger (visschersschuit), sedert Kil. Ontl. uit eng. dogger “hoeker”, of = mnl. doggher m. “visscher”, bij ons van mnl. dogghe “visschersschuit” afgeleid, evenals in het On. duggari m. “zeevisscher” van (fiski)dugga v. werd gevormd. Dit ijsl. woord komt 1413 ’t eerst voor van engelsche schepen. Deze schuitnaam is òf uit Engeland òf van de ndl.-fri.-ndd. kust afkomstig. Wellicht ontstond hij, doordat in Engeland of elders het bij dog besproken woord voor “hond” op een schip werd toegepast.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dogger. Voor laat-mnl. dogghe wordt als betekenis opgegeven niet ‘vissersschuit’, maar ‘kabeljauw’ (ook ‘hoekwantvisserij, kabeljauwvangsť?). Wanneer deze bet. aan de ndl. eng. kust oud is (vgl. eng. dog-fish, benaming voor verschillende vissoorten, speciaal Scyllium catulus en Squalus acanthias), kan zowel eng. dogger ‘hoeker’ als ndl. dogger daarvan zijn afgeleid, eventueel het een naar het ander zijn gevormd. Ook on. duggari m. ‘zeevisser’ kan een afleiding zijn van een woord, dat ospr. een vissoort aanduidde; het veel later overgeleverde on. (fiski-) dugga v. moet dan een jongere bet. hebben.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dogger m. (vaartuig), dogboot, Mnl. id. en dogghe, niet van Doggersbank, maar van het dog dat Ndl. (dogge), Eng. (dog) en Fr. (doguet) de naam is van een kabeljauwsoort, bep. van de gul; de Doggersbank is dan het rendez-vous der doggers. Uit Ndl. komen Eng. en Hgd. dogger, Fr. dogre.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dogger, doggerboot ‘vissersvaartuig’ -> Engels dogger ‘Nederlands vissersvaartuig’; Duits Dogger ‘Nederlands vissersvaartuig’; Deens doggerbåd, doggerfartøj ‘Nederlands vissersvaartuig’; Frans dogre (ouder: daugrebot, dogrebot) ‘kleine driemaster voor haring- en makreelvangst’; Italiaans dogre ‘vissersvaartuig’ ; Kroatisch doger ‘Nederlands vissersvaartuig’; Macedonisch doger ‘Nederlands vissersvaartuig’; Sloveens dogger ‘Nederlands vissersvaartuig’ ; Russisch dogr ‘vissersvaartuig’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut