Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dog - (bepaald type hond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dog zn. ‘bepaald type hond’
Vnnl. dogge ‘grote hond’ [1546; MNHWS], een hongherighe dogghe [1567; WNT tenen].
Ontleend aan Engels dog ‘hond’, me. dogge, laat oe. docga ‘grote sterke hond’ [ca. 1050; BDE], een woord waarvan de verdere herkomst onbekend is. Het algemene woord voor ‘hond’ in het Engels was hound (oe. hund), zie → hond; dog heeft die algemene betekenis overgenomen, hound betekent sedert de 12e eeuw uitsluitend nog ‘jachthond’.
Uit het Engels ook Frans dogue ‘dog’, Spaans dogo ‘terrier’, en via het Nederduits of het Nederlands ook Duits Dogge ‘Deense dog’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dog [hond] {dogge [grote hond] 1546} < engels dog < oudengels docga, waarvan de etymologie onbekend is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dog znw. m., bij Kiliaen dogge < ne. dog ‘hond’ (vgl. ook nhd. dogge, de. dogge, zw. dogg), reeds oe. docga ‘hond’, waarvan de herkomst onbekend is.

F. A. Wood, Amer. J. Ph. 41, 1920, 346 verbindt hiermee lit. dukti ‘razend worden’, oi. dhuka- ‘wind’ en dan dus verder bij de groep van dier; een zuiver papieren constructie. — Het woord dog is ook een naam voor ‘kabeljauw’ (eerste voorbeeld 1514), mogelijk hetzelfde woord, vgl. eng. namen als dog-fish.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dog znw. Kil. dogge. Evenals hd. de. dogge, zw. dogg uit eng. dog, meng. dogge < ags. docga m. “hond”; hiervan het on. scheldwoord dugga. Oorsprong onbekend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dog. Dat ags. dogga verwant zou zijn met lit. dũkti ‘razend worden’, oi. dhûka- ‘wind’ (F. A. Wood AJPh. 41, 346) en zodoende ten slotte bij de s.v. dier besproken wortel zou behoren, is niet meer dan een los vermoeden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dog m., uit Eng. dog, waaruit ook Hgd. dogge, De. id., Zw. dogg en Fr. dogue; klimt in ’t Eng. door Meng. dogge op tot Ags. docga: oorsprong onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dok III: in ss. uit Eng. dog soos in boeldok(hond) q.v.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

dog: rijke (gierige) dog: (in Vlaanderen) rijkaard of vrek. Een dog is een grote, kortharige hond van een Duits ras.

In die straat woonen de rijke doggen. Foei! ’t is schand veur zoo ‘ne’ gierigen dog! (J. Cornelissen en J.B. Vervliet, Antwerpsch-Brabantsch Tijdschrift voor Taal en Volksdichtveerdigheid, voor Oude Gebruiken, Wangeloofkunde, enz, 1889-1900)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dog (Engels dog)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dog ‘hondensoort’ -> Duits Dogge ‘Deense dog’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dog hondensoort 1546 [HWS] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut