Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

doffer - (mannetjesduif)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

doffer zn. ‘mannetjesduif’
Mnl. duvers (mv.) ‘mannetjesduiven’ [1287; CG II, Nat.Bl.D.], duverinc, duverick, duyfhorn, duyverick ‘mannetjesduif’ [14e en 15e eeuw MNW], duverick, duyfhorn ‘mannetjesduif’ [1475-77; Teuth.]; vnnl. duyver, (Hollands) doeffer [1599; Kil.], doffer ‘opgedirkte kerel’ [1615; WNT], ‘mannetjesduif’ [1622; WNT].
Doffer is met verscherping van de medeklinker vóór de -r- en verkorting van de vocaal ontstaan uit dūver, wrsch. < pgm. *dūbran-, een afleiding van pgm. *dūbōn ‘duif’, zie → duif. Het suffix -er (< pgm. -ran-) is een suffix voor mannelijke diernamen, zoals ook bij → kater.
Mnd. duffer, duver, duverich (nnd. duffert); mhd. tûber (nhd. Tauber, Tauberich); nfri. doffert.
Het West-Vlaams heeft de vormen duver, duiver, in Zeeland, Holland, en het noorden van Nederland tot aan de Vecht zegt men doffer.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

doffer* [mannetjesduif] {duver 1287} afgeleid van duif, zoals kater van kat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

doffer znw. m., mnl. dûver (ook dûveric, dûverinc) nog wvla. dǖver naast doffer, doffert in andere dialecten, vgl. verder fri. doffert, mnd. duffer, nnd. duffert, staat evenals nhd. tauber naast taube zo ook naast duif.

De doffer heeft in de nl. dialecten verschillende namen: in de saks. streken aorent, in de frank. dialecten hoorn, vgl. ook mnl. duufhoern, dofhorn en nhd. dial. taubhorn. — Hetzelfde suffix -er (uit germ. -ran) ook in kater. — Het woord doffer hoort thuis in Zeeland, N. en Z. Holland, Friesland, Groningen, Drente en Overijsel tot aan de Vecht. — Ongetwijfeld een oud woord, immers doffer is met verscherping van de cons. en verkorting van vocaal ontstaan < doever, dus met bewaarde germ. ū. De verdeling van de verschillende benamingen van de doffer geeft de kaart van G. ten Dam Ham Taalatlas afl. 1, 6.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

doffer znw. In de saks. streken van Nederland heet de doffer aorent (zie arend), in zuiver frankische (Antw., Brab., Limb., een deel van Gelderl. en Utrecht) hoorn; vgl. Teuth. duyfhorn, mnl. duufhoern, dofhorn m., du. dial. taubhorn; het Wvla. kent dü̂ver, ook mnl. (= hd. tauber, laat-mhd. tûber, mnd. dûver m.), de andere dialecten doffer(t) = fri. doffert, mnd. duffer m., nnd. duffert. Dü̂ver, doffer kunnen beide op *ðûƀran- teruggaan, een afl. van germ. ðûƀôn-; zie duif. Voor ’t suffix vgl. kater I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

doffer m., Mnl. duvere + Mhd. tuber (Nhd. tauber), van duif gelijk kater van kat.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Doffert Friese naam voor het ♂ van de Duif, maar (overdrachtelijk) ook voor dat van de Kieviet [ViF 1976; Zantema 1992]. Het ♀ van de Kieviet heet in delen van Friesland Doke (<Douke) ↑ [ViF; Visser 1993; niet in Zantema].
Baart 1640 noemde middelfries “Duwkers (lijts en graet)” [ViF p.75]; dit woord betekent ws. ‘Duiven’, maar het woord vertoont een wat vreemde suffixcombinatie van -er (wat op de mannelijke vogel zou kunnen wijzen) en -ke (verkleiningssuffix), in het fries gebruikt (bij Dou) om de vrouwelijke vogel aan te duiden.

Doffer Algemene N naam voor het ♂ van de Duif ↑; dikwijls is de gedachte aan een vogeltaxon (de orde Columbiformes) ver verwijderd, wat de spelling doffer dan rechtvaardigt [vD].
Het lange bestaan van een speciale naam voor het ♂ van de vogel (net als Haan naast Hoen) wijst erop dat Duiven (en Huishoenders) al even zo lang bij de mensen bekend waren c.q. als huisdieren gehouden werden; dit om het vlees en om de eieren. Mogelijk verklaart dit de friese namen Doffert ‘♂ Kieviet’ ↑ en Doke ‘♀ Kieviet’ ↑; immers speciaal in Friesland was (en is) ook de Kieviet ‘eierleverancier’.
Zie ook Duifhoorn.
ETYMOLOGIE N Doffer (doffer) (1616), fries Doffert ↑ , vlaams Duiver, Duiverik [WVD] Duver [JvM], Duveric, Duverinc [MH] [mnl Duvoor, Duufhorn, Duufhoern, Dofhorn [MH] behoren bij Duifhoorn ↑]; nederduits Düwer, Düffer(t), Duffert düffer, dûver [Suolahti; VT]; Duberd in Thüringen neemt tussenpositie tussen Duffert en Tauber in; D Tauber, Täuberich tûber.
Het suffix -er wordt verondersteld naar het ♂ dier te verwijzen, net zoals in Kater bij Kat. De oorsprong van dit suffix is niet bekend (FWH en NEW veronderstellen germ *-ran); Kluge 1888 [Suolahti 1909 p.210] neemt *haro aan, maar Kluge 1899 noemt een dergelijk suffix niet. Bovendien blijkt dat maar weinig woorden dit suffix kregen (Marter bijv. heeft het níét, contra NEW sub kater 1); eigenlijk worden alléén Doffer en Kater als voorbeelden opgevoerd. Daarom is het het overwegen waard, of er bij Doffer eerder sprake is van een oude ss., te weten van duva ‘Duif’ + aran ‘Arend, Vogel’, waarvoor zie Duifhoorn, Hoorn en Merelhoorn. [S&S spreken inderdaad van “Duifhoorn ... werd verkort tot Doffer” (p.62). Alleen voor Kater is zo’n ss. onwaarschijnlijk: een Kater is immers geen ‘Vogel’.]
In Doffert ↑ en Duiverd (in Linkhout (BL)) kan paragogische t resp. d worden aangenomen.
Het suffix -erik zou naar analogie van het suffix in Ganzerik ↑ (en D Enterich) kunnen zijn gebruikt [Suolahti p.211].

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

doffer* mannetjesduif 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal