Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dof - (slag, ingehaald en daardoor bolstaand naaiwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dof 2 zn. ‘slag’
Vnnl. ick kreech ... een dof of duw ‘ik kreeg ... een stoot of duw’ [1622; WNT], dofjes krijgen ‘klappen krijgen’ [1641; WNT]; nnl. dof ‘zachte vuistslag op de rug’ [1911; WNT], West-Vlaams duffel, doef ‘slag op de rug’.
Wrsch. een klanknabootsing.
Fri. dof ‘stoot’, Oost-Fries duf ‘stoot’.
doffen ww. (dial.) ‘slaan, klappen geven’. Nnl. doffen [1904; WNT], frequentatief Vlaams doffelen ‘kloppen, onophoudelijk iemand slaan’. Afleiding van dof. Alleen in Zuid-Nederlandse dialecten. Zie ook → opdoffer en → opdoffen. Ook Oost-Fries duffen ‘stoten’, düffeln, ‘slaan, stoten’, mhd. tüfteln, ‘slaan, kloppen’; nzw. duva till ‘een klap geven, slaan’, duva på ‘op z'n falie geven’.

EWN: dof 2 zn. 'slag' (1622)
ANTEDATERING: alsje een dofjen weet 'als je een buitenkansje weet' [1612; iWNT dof I]
EWN: ♦ doffen ww. (dial.) 'slaan, klappen geven' (1904)
ANTEDATERING: vnnl. doffen "iemand soo slaan, dat het een "dof", of slag geeft" [1681; Winschooten, 44]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dof1* [slag, ingehaald en daardoor bolstaand naaiwerk] {1612 als ‘slag, buitenkans’; de betekenis ‘bolstaand naaiwerk’ 1785} van doffen [slaan, met een vlugge beweging duwen], middelnederlands duffen, doffen [slaan]; stellig klanknabootsend, maar de betekenis werd verruimd met een visueel element. Vgl. poffen en vooral de samenstelling dofmouw naast pofmouw, vgl. ook bof voor slag.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dof 1 m. (slag), een onomat.; ook derg. in Hgd., Eng. en Fr.

dof 2 v. (op een mouw), hetz. als dof 1: vergel. pof.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

dof, doef, zn.: slag. Vnnl. 1622 ick kreech … een dof of duw (WNT). Wvl. duffel, doef ‘slag op de rug’, Fries dof, duf ‘stoot’. Zie doffen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

doef bn.: drukkend, zwoel (van het weer); versuft. Var. van Ndl. dof ‘niet helder, mat’, een verkorte vorm van doof.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

doef (E, G, W, L, ZO), zn. m.: slag, m.n. vuistslag. Zie doefen.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1doef s.nw., tw.
Dowwe geluid, of weergawe van 'n dowwe geluid.
As s.nw. uit Ndl. dof (1641). As tw. 'n afleiding van die s.nw. doef. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
Ndl. dof is wsk. 'n klanknabootsing van 'n dowwe geluid.

3doef bw., s.nw. (gewestelik; rugby)
In die skrum, voor, of skrum, voorspeler.
Afleiding van doef (1doef), so genoem omdat voorspelers gedurig met dowwe slae en doefgeluide hard kontak maak met opponente voorlangs en in die skrum.

4doef ww. (gewestelik; rugby)
Voor speel, onder die voorspelers speel, skrum.
Afleiding van doef (2doef), so genoem omdat jy gereeld met dowwe slae en doefgeluide hard kontak maak met opponente as jy voor, onder die voorspelers, speel, of as jy in die skrum druk.

5doef ww.
Swem.
Afleiding van doef (2doef), so genoem n.a.v. die dowwe plons- of doefgeluide wat swemmers maak wanneer daar in die water gespring word.
Vgl. 2ghoef.

6doef s.nw. Ook duf.
Kop van die liggaam.
Afleiding van doef (1doef as s.nw.), so genoem omdat die kop 'n dowwe doefgeluid maak as jy daarop slaan en dalk ook met bygedagte daaraan dat iemand se kop leeg is of dat hy dom is en sy kop daarom holklinkende doefgeluide maak as jy daarop slaan.

doffie s.nw.
Dom persoon.
Afleiding met -ie van dof 'minder skerp en lewendig, swaar van begrip'.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1991).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

doei (DB), zn. m.: dof, slag, klap, m.n. vuistslag op de rug. Zie doeven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dof ‘klap, slag’ -> Frans dialect attraper 'ne doufe ‘dronken worden (lett.: een klap krijgen)’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

441. Een dofje,

d.w.z. een buitenkansje; eig. een slag (vgl. Zuidndl. doef, doef; fri. dof), zooals blijkt uit W.v. Gecken, 86:

 Yder een moet stille swygen
 Voor die grooten edel-man
 Of sy souden dofjes krijgen
 Met de vuyst of met de kan.

Uit deze bet. slag is die van ‘buitenkansje’ voortgevloeid, evenals bij een bof (no. 279) en een tref; hd. ein Treffer; eng. a hit. Sedert de 17de eeuw had dofje die beteekenis, zooals blijkt uit Oudemans II, 99; Ndl. Wdb. III, 2741; zie ook Halma, 115: Dofje, voordeel, winst; Taal- en Letterbode IV, 5; Frequ. I, 65; Molema, 81 b: doffel, vuistslag, stoot, duw; doffie(n), buitenkansje, gelukje, vetje; het fri.: dofk(e) (een som geld) naast een dof, een duw; het Hagelandsch bof, som gelds (Tuerlinckx, 89), in welken zin ook bom bekend is. Zie Bij den roes.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal