Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

doetje - (onnozele ziel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

doetje zn. ‘onnozele ziel’
Vnnl. doetje ‘onnozele vrouw’ [1632; WNT]; nnl. doetje “weinig flink (vrouws)persoon” [1940; Koenen], naast de variant doede ‘id.’ [1789; WNT doede].
Misschien een verkleinwoord van een verouderd woord doei met dezelfde betekenis (Doeyken [1610; WNT doei]), vergelijkbaar met de vorm koetje naast koei (zie → koe); in het Gronings bestaan nog steeds beide vormen doetje, doeje ‘onnozel vrouwtje’. De herkomst van doei is onduidelijk. FvWS acht verband met doei minder wrsch. vanwege klinkervariatie in gewestelijke vormen van doei tegenover de vast -oe- in doetje en stelt dan ook verband voor met → dutten, gezien mnd. dutte ‘onnozele vrouw’ en Fries dodsje ‘id.’ naast dod ‘slaperigheid, sufheid’. Zie ook → dot.
Pas in de 20e eeuw kon doetje ook een man aanduiden. Ook in het WNT is deze ontwikkeling te zien. De aflevering met doetje uit 1911 spreekt alleen nog over vrouwen, terwijl het woord in 1960 [WNT treuzel] voor beide geslachten wordt gebruikt. De vorm doede wordt door het WNT verklaard als terugvorming bij doetje, eventueel beïnvloed door de Friese eigennaam Doede, bekend geworden door de “Klucht van Doeden” (1643) van A. Bormeester.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

doetje* [sukkel] {1632} vermoedelijk uit verouderd nederlands doei [onnozele vrouw], middelnederlands doetsch [traag van verstand], vgl. middelnederduits dutte [onnozele vrouw] en nederlands dutten, bedotten, duizelen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

doetje

Dat het woord doetje niets heeft te maken met het werkwoord doen, is wel duidelijk uit het verschil in betekenis. Het kenmerkende van een doetje is immers juist het weinig flinke, weinig doortastende, weinig daadkrachtige. Neen, wij moeten in andere richting zoeken. Oudtijds gebruikte men het woord doei als geringschattend woord voor domme dienstmaagd, onnozel vrouwmens dat zich van alles laat wijsmaken. Van dit doei kan doetje heel goed het verkleinwoord zijn, evenals koetje van koei. Maar ook dialectische woorden als doedelig: slaperig, suf en doedel: sukkel zullen zeker invloed op het woord hebben uitgeoefend. Bij Wolff en Deken, onuitputtelijke schat voor allerlei gemeenzame woorden uit de spreektaal, vindt men éénmaal: malle doede in de zin van: onbenullig vrouwspersoon.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

doetje znw. onz., eerst nnl. Misschien met wfri. doedel “dikke bundel”, doedelig, -rig “slaperig”, doede “lummel” bij dot.

[Aanvullingen en Verbeteringen] doetje. Wellicht bestaan ook betrekkingen met de woordgroep van dutten: vgl. mnd. dutte “dom, onnoozel vrouwspersoon”, dithm. dötje “id.” enz. Het Woordenboek der Ndl. Taal houdt doetje voor een verkleinwoord van oudnnl. doei, doy, dooi, deuy “meid” (als ’t een oud woord is, veronderstelt het vocalisme een grondvorm *þŭjô(n)- of *dŭjô(n)-): niet aannemelijk om ’t vaste oe-vocalisme van doetje.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

doetje, zal wel in enig verband staan met ouder-nnl. doei, dooi, deuy ‘zottin, onnozele vrouw’, waarvan de afl. onzeker is (vgl. Muller Tschr. 40, 156 vlg.); misschien is het een vermenging van dit woord met een ander uit de groep van dutten (vgl. mnd. dutte v. ‘onnozel vrouwspersoon’). Vgl. van Wijk Aanv. Er is weinig reden om met Kloeke Exp. 119 vlgg. in het onomatopoëtisch gevoelde woord doetje een relict te zien met oe < germ. û.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

doetje o. (onnoozele vrouw), bijvorm van dotje, dimin. van dot (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

doetje: onnozel iemand; halfzacht iemand; slappeling; sukkel. Aanvankelijk alleen van toepassing op vrouwen. Sedert de jaren zestig ook gebruikt m.b.t. mannen.

Gonne was toch eigenlijk veel meer een meisje voor haar, een meisje als zij. Geen doetje, nou ja – had ze geen groot gelijk de menschen niet te zacht te beoordeelen? (H. Robbers, De Roman van een gezin. I. De Gelukkige Familie, 1909)
Wij kunnen geen doetjes zijn, wanneer we achter zulke kerels aan zitten. (Het Vaderland, 25/12/1934)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

doetje* sukkel 1632 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut