Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

doen - (handelen, verrichten, maken; veroorzaken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

EWN: doen ww. 'handelen, verrichten, maken; veroorzaken' (10e eeuw)
ANTEDATERING: duon 'vervaardigen, vormen, maken' in: ælb kabu (l. kambu) deda habuku 'Alf maakte een kam voor Habuk' [791-891; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

doen ww. ‘handelen, verrichten, maken; veroorzaken’
Onl. duon ‘doen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. doen.
Os. duan, dōn; ohd. tuon (nhd. tun); oe. dōn (ne. do), ofri. duā(n) (nfri. dwaan); < pgm. *đō-.
Verwant met Latijn facere (met f- < dh-) ‘maken, doen’ (met diverse afleidingen, met als gevolg ook verscheidene Nederlandse leenwoorden, waarvoor zie → feit), -dere ‘leggen, plaatsen’ (in samenstellingen als abdere, condere; 1e pers. -do); Grieks tithénai ‘stellen, leggen’ (waarbij bijv.these, en -theek zoals in → apotheek); Sanskrit dádhāti ‘hij zet’, Avestisch daðāiti ‘hij zet’, Oudkerkslavisch děti ‘leggen’, Tochaars A tā-, täs-, tas-; Tochaars B tes ‘leggen’; uit de ō-trap van de wortel pie. *dhēh1- ‘leggen, plaatsen’ (IEW 235). De ē van pie. *dheh1- komt voor in → daad en gedaan.
In de verledentijdsvorm deed, onl. deda, mnl. dede is de oude reduplicatievorm bewaard gebleven.
Het lijkt nog altijd zeer waarschijnlijk dat de verledentijduitgang op -de van de zwakke werkwoorden in het Germaans is afgeleid van pgm. *dedō, de verleden tijd van doen.
Het werkwoord doen is in het Noord-Germaans verdwenen, op het on. dáđ ‘daad’ na; in de betekenis ‘doen’ wordt in het on. gera, gøra gebruikt (nzw. göra), zie → gaar. Het Gotisch heeft als overblijfsel alleen ga-dēþs ‘daad’ en wrsch. ook de lange verleden-tijduitgangen van de zwakke werkwoorden, bijv. -dēdum van de 1e pers. mv.
Als werkwoord gebruikt het got. taujan ‘maken, doen’, dat ook in Oernoords (runen) tawide, tawido ‘hij, ik maakte’ voorkomt; het betekent wrsch. eigenlijk ‘versieren’, zie → tooi.
Lit.: G.A.J. Tops (1974) The origin of the Germanic Dental Preterite: A Critical Research History Since 1912, Leiden

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

doen* [handelen, plaatsen] {oudnederlands duon 901-1000, middelnederlands doen} oudsaksisch duon, dōn, oudhoogduits tuon, oudfries dua(n), oudengels don, van een i.-e. stam met de betekenis ‘leggen, plaatsen’, waarvan ook komen latijn facere [maken, doen], grieks tithèmi [ik zet], oudkerkslavisch děti [leggen], oudindisch dadhāti [hij zet]. De uitdrukking van doen hebben [nodig hebben] is een versmelting van te doen hebben en van node hebben, die allebei ‘nodig hebben’ betekenen. In de uitdrukking in goeden doen zijn [geld hebben] is doen zelfst. gebruikt en kan de betekenis hebben van ‘zaak, bedrijf’ (vgl. doening [winkel]).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

doen ww., mnl. doen, onfrank. duon, os. dūan, dōn, ohd. tuon, ofri. duā, duān, oe. dōn. — Idg. wt. *dhē ‘leggen, plaatsen’: lat. ab-do ‘ik doe weg’, facio ‘maken’, gr. títhēmi ‘zet, plaats’, oi. dadhāti ‘hij zet’, av. daðaiti ‘hij zet’, gall. dede ‘plaatste’, asl. děti ‘leggen’ (ook ‘zeggen’), lit. dėviù, dėvė́ti ‘kleren aanhebben’, toch. A ta-, täs-, tas-, Β tes ‘leggen’. — De germ. inf. is van de trap *dhō, daarnaast *dhē in daad en het dlw. gedaan en *dhǝ in het praet. deed: mnl. dēde, onfrank. deda, os. deda, ohd. teta, ofri. dede (zie IEW 235-7).

Het is opmerkelijk, dat dit ww., algemeen in verspreiding en betekenis, zich niet in alle germ. talen gehandhaafd heeft. Het westgerm. bewaarde het alleen tot op heden onverzwakt; het noord- en oostgerm. hebben het reeds vroegtijdig opgegeven, maar dat het er bestaan heeft bewijzen woorden als on. dāð en got. ga-dēþs ‘daad’. Daarvoor werden nu ww. gebruikt, die aanvankelijk een praegnanter betekenis hadden: on. gøra eig. ‘gaar maken, bereiden’ (de Vries, Feestbundel v. d. Wijer 1944 II, 144-5), zie: gaar en got. taujan, dat echter ook nog in de oernoorse runeninscripties bekend is, en dat eig. versieren’ betekent, zie: tooien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

doen ww., mnl. doen. = onfr. duon, ohd. tuon (nhd. tun), os. dûan, dôn, ofri. duâ, duân, ags. dôn (eng. to do) “doen”. Het Ngerm. heeft dit ww. vervangen door on. gør(v)a, verwant met gaar, het Got. heeft taujan “doen, maken”, zie tooien. Germ. ðô- is de ô-trap van den idg. wortel dhê- “leggen, plaatsen”; hiervan ook gall. dede (“posuit”?), lat. ab-do, con-do “ik leg weg”, fa-c-io “ik doe, maak”, gr. títhēmi “ik plaats”, phryg. ad-dakei (zie Ramsay KZ. 28, 385), obg. děti “leggen”, dějati “doen”, lit. dė́ti “leggen”, arm. dnem “ik zet”, oi. dádhâti “hij plaatst”. De ô-trap ook nog in doemen, de ê-trap in daad en gedaan, mnl. ghedaen, onfr. gedân, ohd. gitân (nhd. getan), os. gidân, ofri. (ge)dân, (e)dên, ags. gedôn (eng. done) (os. gidôn, gidûan naar den inf.), met ĕ (ik, hij) deed, mnl. dēde, onfr. dëda, ohd. tëta, os. dëda, ofri. dëde (afwijkend ags. dyde), waar de- reduplicatiesyllabe is. Zie ook zodanig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

doen o.w., Mnl. id., Onfra. duon, Os. dôn + Ohd. tuon (Mhd. id., Nhd. tun), Ags. dón (Eng. to do), Ofri, dúa; niet in ’t Oostgerm., waar echter wel het subst. daad + Skr. dadhâmi, Arm. dnem = ik zet, Gr. títhēmi [Grieks] = ik plaats, Lat. facere (f = dh) en samenst. met dere als abdere, condere, Lit. demi = ik plaats, Osl. děti = leggen, Lit. dèti = leggen, Ier. denim = ik doe: Idg. wrt. dhe met abl. dhē, dhŏ en dhō = stellen. — Doen vertoont den ablaut dhô, — gedaan evenals daad den ablaut dhê; — deed, Mnl. dede, Os. deda: Ug. de-dô is een perf. met reduplicatie.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

doen (ww.) doen, handelen; Nuinederlands duon <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gedoen: – (geringer frekw.) gedaan – , Afr. verl. dw. na anal. v. doen, in Ndl. blb. alleen as s.nw. (soms = gedoente); vgl. Ndl. gedoe.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het ene doen en het andere niet (na)laten, van twee alternatieve acties beide uitvoeren, en niet een keus maken.

Matteüs en Lucas doen verslag van Jezus' kritische woorden tegenover de opstelling van de Farizeeën inzake de moraal. 'Maar wee jullie Farizeeën, want jullie geven tienden van munt, wijnruit en andere kruiden, maar gaan voorbij aan de gerechtigheid en de liefde tot God; je zou het een moeten doen zonder het andere te laten' (Lucas 11:42, NBV). De laatste zin is een doeltreffende manier om te zeggen, dat de kritiek niet gericht is op het ene dat men doet, maar op het nalaten van het andere.

Liesveldtbijbel (1526), Lucas 11:42. Dit soude men doen, ende tgene niet laten. (In de Statenvertaling (1637): als NBG-vertaling (1951).)
Natuurlijk moet je niet het ene doen en het andere laten; je moet allebei doen en op beide fronten werken. (Tweede Kamer, nov. 1995)
Faber benadrukte dat als je het een wilt doen het andere niet moet laten. Visser: 'Je moet met die vertrouwenspersonen er een spel van maken de winkeldieven de stad uit te jagen. Je moet er niet op gaan rossen, maar ze ontdekken, volgen en je bent ze gegarandeerd uit je centrum kwijt.' (Meppeler Courant, okt. 1994)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

doen ‘vluchtig bekijken’ (bet. van Engels to do); (zo gedaan) (vert. van Frans si fait)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

doen. Wie de verwensing laat je maar wat doen! op zich in laat werken, zal haar wellicht in verband brengen met aandoen. Dat wordt wel erg moeilijk als aan diezelfde verwensing wordt toegevoegd in je nek! Mogelijk moeten wij de verwensing letterlijk opvatten in de zin van ‘krijg nekkramp’. De emotionele betekenis is ‘ik ben ontstemd over je gedrag, ik erger me kapot aan je, ik veracht je’. Vgl. Van Eijk (1978: 80). Militairen gebruiken vaak de verwensing je kunt het me doen!, die in betekenis overeenkomt met je kunt mijn zak opblazen! enz.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Doen, van den Skr. wt. dha: zetten, leggen, doen, scheppen (dhatr = schepper); vgl. daad en ons achtervoegsel: dom (= do + m) in wasdom, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

doen ‘handelen, plaatsen’ -> Deens duve ‘(scheepsterm) aandoen, land benaderen vanaf open zee’; Zweeds don ‘tuig, gerei, benodigdheden; (verouderd) handelwijze’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands doe, du, due ‘handelen, plaatsen’; Berbice-Nederlands dun ‘handelen, plaatsen’; Sranantongo du ‘handelen; daad’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans doe ‘handelen, plaatsen’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

doen* handelen, plaatsen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

437. Van doen hebben,

d.i. noodig hebben, van noode hebben; de zegswijze is ontstaan door samensmelting van te doen hebben (mnl. te doene hebben) en van noode hebbenZie Noord en Zuid II, 326-333; Tijdschrift XVII, 168; Ndl. Wdb. VI, 221., die beide beteekenen noodig hebben. Zij is sedert de 16de eeuw bekend; in de 17de eeuw ontstond er naast van doen zijn. Zie Ndl. Wdb. III, 2706 en vgl. fri. fen dwaen hawwe.

438. In goeden doen zijn,

d.i. gefortuneerd zijn, het goed kunnen doen, goed bij de planken kunnen. Het znw. doen kan hier de beteekenis hebben van zaak, bedrijf, gedoente, zuidndl. doening, zaak, winkel, zoodat de uitdr. eig. wil zeggen: hij heeft een goede zaak; vandaar: hij vaart wel, zit er goed bij. Of moeten we aan doen de beteekenis toekennen van toestand (vgl. het oude doen), waarin het in de middeleeuwen reeds voorkwam? Sedert de 17de eeuw is de zegswijze bekend; zie Hooft, Ned. Hist. 221: Verscheyde luyden van goeden doene werden'er uit al hun welvaaren geworpen; Tuinman I, 303: Hy is in goeden doene, dat is, zyn handel en bedryf is gelukkig, hy vaart wel, hy is goeder dingen; Halma, 114: Hij zit in goed doen, il est fort bien dans ses affaires: son négoce va fort bien. Ook in het Antw. Idiot. 361: In 'nen goeien doen zijn, welvarend zijn, goede zaken maken; bij Tuerlinckx, 124: Goed in zijnen doen zijn, in welvaart verkeeren.

439. Al doende leert men,

d.w.z. door iets dikwijls en herhaald te doen krijgt men er den slag van beet, krijgt men er vaardigheid in. Sedert de 16de eeuw komt deze zegswijze voor; zie Servilius, 30: Al doende leertmen. Allenskens leert den hont leer eten; Campen, 131: Al doende leert men; H. de Luyere, 34: Maer al doende moet men leeren; Kluchtspel II, 167: Aldoende soo liertmen; De Brune, 61; Tuinman I, 173; Harreb. I, 17.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut