Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

doelen - (mikken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

doel zn. ‘mikpunt, doeleinde’
Mnl. doel, doele ‘greppel als grens tussen twee akkers’ [1258; MNW], doelen (mv.) ‘schietbaan’ [1394-98; MNW], ook bijv. in doelman ‘opzichter bij de schietbanen’ [1434; MNHWS]; vnnl. doel ‘oogmerk, bedoeling’ [1569; WNT], schietschijf‘ [1579; WNT]; doel ’doelwit voor schutter, zandhoop waarop men schiet‘ [1599; Kil]; Zuid-Nederlands doel(e) ’hoop aarde‘, Zaans doel ’paaltje als grensteken‘.
Ohd. tuola ’dalletje‘ (mhd. tüele ’uitdieping, wond‘); ofri. dōle ’doel bij het schieten‘ (nfri. dôl(e), dolle ’poel, waterkuil‘); on. dœl ’kuil‘; < pgm. *dōljō- (ablaut van pgm. *daljō- ’kloof‘, naast got. dals ’dal‘). Wrsch. behoren mnd. dole, dolle ’sloot, greppel (nnd. dole ‘greppel, grensteken’, döle ‘kuil’) ook tot deze groep. Verwante vormen nnl. daal ‘houten koker of goot, buis van een pomp’ en on. dæla ‘goot in het gangboord’ gaan mogelijk terug op pgm. *dēljō- ‘goot, sleuf’. Verwante woorden met korte vocaal ohd. dola ‘pijp, afwateringsgreppel, goot’, (nhd. Dole ‘overdekte afvoergreppel’, nnd. dölle ‘pijp’) vormen een aparte groep.
Alle Germaanse (grond)vormen zijn verwant met → dal (IEW 245).
De oorspr. betekenis zal ‘greppel, kuil’ geweest zijn, waarna de benaming doel ook gebruikt is voor het bijproduct van het graven: hoop aarde; een dergelijke ontwikkeling doet zich ook voor bij → dijk dat oorspr. ‘sloot, poel’ betekende en → dam, dat oorspr. ‘vijver, waterplas’ betekende. De betekenisontwikkeling van doel is dan geweest: greppel, kuil > hoop aarde > zandhoop waarop men schiet > schietschijf > mikpunt > doeleinde.
doelen ww. ‘(op iets) zinspelen’. Vnnl. doelen ‘mikken met een schietwapen’ [1623; WNT], ‘richten, mikken’ [1678; WNT]; nnl. doelen ‘zinspelen’ [1781; WNT]. Afleiding van doel. ♦ doelmatig bn. ‘in overeenstemming met het doel, efficiënt’. Nnl. doelmatig ‘id.’ [1801; WNT voortbrenging]. Leenvertaling van Duits zweckmäßig.

EWN: ♦ doelen ww. '(op iets) zinspelen' (1623)
ANTEDATERING: … doelen, scaecken, scieten mitten voetboghe ende hantboghe … 'schijfschieten, schaken, schieten met voetboog en handboog' [1545; iMNW]
EWN: ♦ doelmatig bn. 'in overeenstemming met het doel, efficiënt' (1801)
ANTEDATERING: zoo waar, oordeelkundig, bescheiden en doelmatig [1776; Huizinga Bakker, 144]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

doelen* [mikken] {1545 in de betekenis ‘schijfschieten’} afgeleid van doel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

doelen ww., mnl. ‘schijfschieten’, afgeleid van doel, kreeg dan de betekenis ‘mikken op een doel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

doelen ww., reeds mnl. (noordndl.) met de bet. “schijfschieten”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

doelen* mikken 1623 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut