Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

doek - (lap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

doek zn. ‘lap’
Mnl. doec ‘lap stof’ [1240; Bern.], met haren doke ‘met haar hoofddoek’ [1276-1300; CG II, Lut.A], doec ‘omslagdoek, kledingstuk’ [1300-50; MNW-R]; vnnl. doec ‘opgespannen schilderslinnen’ [1604; WNT], doeck ‘schilderij’ [1604; WNT].
De oorsprong is onbekend. Verband met Sanskrit dhvaj ‘vaan’ is onzeker.
Os. dōk (mnd. dok); ohd. tuah, tuoh ‘doek, stof’ (nhd. Tuch); ofri. dōk; on. dúkr ‘doek, zeil’ (wrsch. ontleend aan mnl. of ofri.) (nzw. duk).
Engels duck ‘stevige stof’ [1640; OED] is ontleend aan het Nederlands.

EWN: doek zn. 'lap' (1240)
ANTEDATERING: onl. an einen docho 'op een doek' [1151-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

doek* [geweven stof] {doec, doeke 1201-1250} oudsaksisch dōk, oudhoogduits tuoh, oudfries dōk; verwantschap met niet-germ. woorden is onzeker → doekje.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

doek znw. m. o., mnl. doec m. o. ‘doek’ (als stof- en voorwerpsnaam) ‘lap’, os. dōk, ohd. tuoh, m. o., ofri. dōk m. (on. dūkr < mnd. dūk, dōk of uit ofri. dōk, vgl. AEW 66-7).

De verbinding met oi. dhvajá- ‘vaan’ veronderstelt een grondvorm *dwōka. De verbinding is zeer twijfelachtig. Men moet wel aan een speciaal germ. woord denken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

doek znw. (de en het, met beteekenisverschil); mnl. doec m. o. “doek (stof- en voorwerpsnaam), lap”. = ohd. tuoh (hh) m. o. “doek, lap” (nhd. tuch), os. dôk (m. o.?), ofri. dôk m. “doek”, germ. dial. *dôka- uit oergerm. ðwôka- (vgl. hoest), verwant met oi. dhvajá- “vaan”. On. dûkr m. “doek” zal wel een oude ontleening uit het Ndd. zijn. Formeel zou het ook met doek in ablaut kunnen staan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

doek. De combinatie met oi. dhvajá- ‘vaan’ is twijfelachtig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

doek o., Mnl. doec, Os. dôk + Ohd. tuoch (Mhd. en Nhd. tuch), Ofri. dók, staat tot dekken als zoet 2 tot zetten, maar de d van doek beantw. aan Ug. đ, de d van dekken aan Ug. þ, beide Idg. t. Uit Ndd. On. dúkr (Zw. duk, De. dug).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dook (zn.) doek; Vreugmiddelnederlands doec <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

doek s.nw.
1. Dun geweefde stof van katoen, linne en soms wol. 2. Afgewerkte stuk stof vir 'n bepaalde doel gebruik. 3. Sterk geweefde seil of linne waarop geskilder word. 4. Gordyn of skerm wat die toneel voor afskerm. 5. Oppervlak waarop 'n film vertoon word.
Uit Ndl. doek (al Mnl.) 'geweefde materiaal'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

doek ‘geweven stof’ -> Engels duck ‘(broek van) ongekeperd linnen’; Deens dug ‘tafelkleed, geweven stof’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors duk ‘geweven stof’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Zweeds duk ‘geweven stof’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dok ‘sluier’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † douke ‘soort stof’; Russisch † duk ‘grof linnen, zeildoek’; Maltees dokk ‘ruwe stof, zeildoek, tentdoek’ ; Ewe dúkù ‘geweven stof’ (uit Nederlands of Deens); Fon dukwí ‘kapsel met een hoofddoek, hoofddoek, hoofdsjaal, tulband, servet’; Gã duku ‘geweven stof’ (uit Nederlands of Deens); Twi dúkŭ ‘geweven stof’ (uit Nederlands of Deens); Zuid-Afrikaans-Engels doek ‘stuk stof, in het bijzonder zakdoek, hoofddoek’ ; Zoeloe duku ‘geweven stof’ ; Zuid-Sotho tuku ‘geweven stof’ ; Jakartaans-Maleis duk ‘stuk textiel dat vrouwen dragen tijdens hun menstruatie’; Javaans krudhuk ‘(met een) halsdoek (om)’; Kupang-Maleis duk ‘maandverband’; Creools-Portugees (Malakka) † doeh ‘zakdoekje’; Japans zukku ‘geweven stof’; Negerhollands doek, doekoe ‘geweven stof, kleed’; Berbice-Nederlands duku ‘geweven stof’; Sranantongo duku ‘geweven stof’; Arowaks doko ‘geweven stof’; Surinaams-Javaans duku ‘geweven stof’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

doek. Vanaf de zeventiende eeuw tot 1872 bezaten Nederlanders een aantal forten langs de West-Afrikaanse kust, aan de zogenoemde Goudkust, de gebieden die nu Ivoorkust, Ghana, Togo en Benin heten. Hiervandaan verhandelden de Nederlanders slaven naar vooral Zuid-Amerika. In deze periode heeft de Nederlandse taal invloed gehad op enkele van de lokale talen van Ghana, het Gã, Twi en Ewe, zoals Peter Bakker heeft beschreven in een artikel dat zal verschijnen in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Een van de besproken woorden is doek, dat in het Gã is geleend als duku, in het Twi als dúkŭ en in het Ewe als dúkù. Geerhard Kloppenburg, coördinator van een vertaalteam dat een bijbelvertaling in het Fon vervaardigt, bericht dat dit woord ook is geleend in Benin, waar door circa twee miljoen sprekers de taal Fon wordt gesproken. In het Dictionnaire Fon-Français van B. Segurola en J. Rassinoux uit 2000 is de ingang dukwí opgenomen, dat volgens de auteurs teruggaat op het Nederlands doek(je) en dat de betekenissen 'kapsel met een hoofddoek, hoofddoek, hoofdsjaal, tulband' en 'servet' heeft. Kloppenburg bericht:

Dit woordenboek is een door Rassinoux herziene en uitgebreide nieuwe editie van: B. Segurola (1963), Dictionnaire Fon-Français, Cotonou (gestencilde uitgave). Daar komt de verwijzing bij dukwí naar de Hollandse oorsprong al voor. Het Fon kent alleen open lettergrepen, en daarom worden er tussenklinkers toegevoegd (een collega maakte bijvoorbeeld Alumère Stati van Almere-Stad). Ik weet niet waar de woordenboekmakers het vandaan hebben dat dukwí uit het Nederlands komt; feit is wel dat Nederlanders vroeger handelsreizen maakten naar Dahomey, waar de Fon-koningen dominant waren. Ik raadpleeg dit woordenboek (en zijn voorlopers) al ruim zeven jaar intensief, en dit is het enige woord waarvan ik een Nederlandse oorsprong ben tegengekomen. Het Fon is een van de zogenoemde Gbe-talen, een groep talen die aan de kust van West-Afrika gesproken wordt van Ghana tot de grens met Nigeria; de meest bekende taal van deze familie is het Ewe, gesproken in Ghana en Togo.

Ook in andere talen is het Nederlandse doek overgenomen - als stofnaam en als product vervaardigd van die stof. In het Japans is bekend zukku, vroeger jukku, 'doek, zeildoek, jute'. Hiervan is recent de samenstelling zukku-gutsu gemaakt voor 'gympies', letterlijk 'schoenen van (zeil)doek' (Japans kutsu is 'schoenen'). In het Sranantongo heet een doek duku. Tevens zijn bekend de samenstellingen sakduku 'zakdoek' en wasduku 'handdoek'. In het Indonesisch is 'doek' alleen in samenstellingen geleend: alesduk 'halsdoek', handuk 'handdoek', sakduk 'zakdoek' en spanduk 'spandoek'.

In het Russisch is doek ten tijde van Peter de Grote kort bekend geweest als duk 'grof linnen, zeildoek', maar het woord is snel verdwenen. Samenstellingen met doek zijn echter nog steeds in gebruik. Zo kent het Russisch sinds 1724 flagduk 'vlaggendoek', vroeger in het Nederlands vlagdoek. In Archangelsk is tunduk bekend voor een soort van rode of ook wel blauwe katoenen stof. Dit woord gaat terug op het Nederlandse dundoek - het gebeurt wel vaker dat een Nederlandse d in het Russisch een t wordt.

Het normale Russische woord voor 'das, stropdas' is galstuk. Dit gaat terug op het Nederlandse halsdoek, zoals blijkt uit de oudere Russische spelling galzduk. In een brief van 23 oktober 1705 schrijft Peter de Grote aan generaal Repnin, ter gelegenheid van een bezoek van de koning van Polen aan Grodno, over de soldaten (in de vertaling van de slavist Rein van der Meulen, die in het verleden diverse publicaties heeft gewijd aan Nederlandse leenwoorden in het Russisch), 'dat zij hun kledij in orde brengen, hun halsdoeken (galzduki) te voorschijn halen en het overige, wat getoond behoort te worden, ten uitvoer brengen'. En in 1724 is sprake van ženskije galzduki 'vrouwenhalsdoeken'. In dezelfde tijd kwam de spelling galstuk op, waarin de combinatie -sd- veranderd was in -st-. De beginletter g- is te verklaren uit het feit dat in het Russisch de klank /h/ niet bestaat. In de tweede helft van de negentiende eeuw verschoof de betekenis van 'halsdoek' naar 'stropdas', maar in de communistische tijd droegen de pioniertjes nog een zogenoemde pionerskij galstuk - wat een rode halsdoek was en geen das. In het Russische Bargoens kreeg galstuk de betekenis van 'strop'; die betekenis dateert nog uit de tijd dat de doodstraf werd voltrokken door ophanging. Het Russisch heeft het Nederlandse leenwoord doorgegeven aan het Oekraïens (galstuk) en het Wit-Russisch (gal'štuk).

Nu niet meer bekend - noch in het Russisch noch in het Nederlands, behalve wellicht onder zeilers - zijn bramsel'duk 'bramzeildoek', karelduk 'karreldoek, stijf soort zeildoek', klaverduk 'klaverdoek, soort linnen', brezenduk 'presenningdoek, geteerd zeildoek' en ravenduk 'ravendoek, licht zeildoek'. Sinds 1756 was in het Russisch tot slot kamerduk bekend, uit het Nederlandse kamerdoek 'fijn linnen weefsel', genoemd naar de stad Kamerijk, waar het oorspronkelijk werd vervaardigd. Inmiddels is het Russische woord verouderd.

Doek is ook door talen dichter bij huis geleend, bijvoorbeeld door het Engels. In deze taal is vanaf 1640 duck bekend, gebruikt voor een sterke linnen stof, zeildoek, gebruikt voor kleine zeilen en voor mannenkleding, vooral voor matrozen. Sinds de eerste helft van de negentiende eeuw wordt het woord gebruikt voor een broek van ongekeperd linnen. Daarnaast is ook sail-duck bekend voor 'zeildoek'.

In het Noors is doek geleend uit het Nederlands of het Middelnederduits als duk 'doek, tafelkleed'. In deze taal kent men ook de samenstellingen flaggduk 'vlaggendoek', kammerduk 'kamerdoek, Kamerijkse doek', seilduk 'zeildoek', klaverduk 'klaverdoek' en ravenduk 'ravendoek'. Ook in het Deens en Zweeds kent men duk (Deens dug) en samenstellingen daarvan, zoals het Zweedse flaggduk, segelduk 'zeildoek'.

Uit de overname in zo veel talen blijkt dat het Nederlandse doek en de zaken die daarvan vervaardigd werden, interessante handelsproducten waren.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

doek* geweven stof 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

434. Een doekje voor het bloeden,

d.w.z. een uitvlucht, een verzinsel; eigenlijk een doekje, dat eene wonde bedekt, zoodat deze niet gezien wordt, en het er uitvloeiende bloed haar niet verraadt; bij overdracht een uitvlucht, een voorwendsel, om iets, dat minder goed is, of dat men niet wil weten, te verbergen; ook een voorwendsel, waarmede men iemand paait. Bij Campen staat de uitdrukking opgeteekend, bl. 82: tIs mer een doeckyen voor 't bloeden. Vgl. verder Sewel, 178: 't Is een doekje voor 't bloeden, it is but a meer pretence; Halma, 114: Dat is maar een doekje voor 't bloeden, dat is maar eene slegte verschooning, ce n'est qu'une excuse frivole, dat in de 18de eeuw ook een kakkerlakje genoemd werd. In de literatuur vond ik de uitdr. opgeteekend in Bank. II, 417; Pers, 420 b; Smetius, 24: Doecxken voor het bloeyen; verder bij V. Effen, Spect. VI, 215 en Langendijk, Spieghel d. V. Koopl. v. 85; Tuinman I, 200; Ndl. Wdb. II, 2880; III, 2688; Harrebomée I, 139 en vgl. de hd. uitdr.: er nimmt sich ein Tüchelchen vor, er findet leicht einen Ausweg oder Vorwand zur Umgehung des Gesetzes (Wander IV, 1356). Ook in het oostfri. zegt men: dat is man 'n dôkje för 't ferblöden (Dirksen I, 22); fri. in doekje for 't blieden; Antw. Idiot. 255: doekskens veur 't bloeien.

435. Er geen doekjes om winden,

d.w.z. iets niet zoeken te bewimpelen, of verbergen, gelijk men wel een doekje om een vinger, of iets dergelijks, doet (Tuinman I, 200); dus eig. het zeer niet zoeken te verbergen; vgl. mnl. sijn seer ommeslaen, zijn zeer verbloemen, maskeeren; sonder ommeslach, onbewimpeld. Eene in de middeleeuwen reeds vrij gewone uitdr., die wij o.a. aantreffen in den Rein. II, 4194: Een loghen so bewimpelen met doeken, die hi daer om wint, dat mense voor die waerheit mint; vgl. ook Mart. III, 47: Sonder valsc van doeken (zie Mnl. Wdb. II, 229). Bij Campen, 30 lezen wij: Hy en windt der niet omme; bij Sartorius I, 1, 74: Sonder doecxkens om te winden, slecht en recht, hoc est, apertius et clarius, sine omni involucro. Zie verder Asselijn, Jan Kl. vs. 38; Van Moerk. 499; Episcopius, Predic. 406 b; Willem Leevend V, 209; Tuinman I, 200; V. Janus, 313; III, 37; de bij Harrebomée I, 140 a en III, 163-164 opgegeven schrijvers en Ndl. Wdb. III, 2688; vgl. het oostfri.: hê windt d'er gên dôkjes um; fri.: hy wynt der gjin doekjes om; Schuermans, Bijv. 65 a: om iets doekskens doen; en Antw. Idiot. 358: er geen doekskens om winden (of doen); in 't Waasch Idiot. 178 b: er geen doekskens aan doen, iets onbewimpeld zeggen; geen blauwe doekskens aan iets doen (zie ook Ndl. Wdb. III, 2688); Teirl. 330: iet in doekskes doen, iets bewimpelen; er (geen) doekskes om wenden of an doen; in Limb. ergens doekjes omdraaien ('t Daghet XII, 112).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut