Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dodder - (deder, huttentut)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dodder znw. m. ‘huttentut’ (camelina sativa); zie daarvoor: dooier. — > ne. dodder ‘cuscuta’ (sedert 1265) misschien aan het vla. ontleend (Bense 77). — Zie ook: dotterbloem.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dooier znw., in den vorm door onz., mnl. dōder, dō̆dre m. (ook v.). = ohd. totoro (nhd. dotter), os. dodro m. “dooier”. Het Ags. heeft met het formans -iŋʒa-: dydring m. Deze woorden zijn wsch. afll. met formans -n-, -iŋʒa- van den plantnaam ndl. dodder “camelina” (nog niet bij Kil.), mhd. toter m. “cuscuta” (nhd. dotter “cuscuta, camelina”), mnd. dōder(kûle) “cuscuta”, eng. dodder, meng. doder “id.”. Voor de beteekenis vgl. on. blômi m. “bloesem, bloem”, nijsl. ook “eidooier”. De vormen dōder (> dooier, door) en dodder kunnen in een dgl. klankverhouding tot elkaar staan als Apel(doorn) en appel, m.a.w. dd ontstond onmiddellijk vòòr r; sprak men vóór de r nog een vocaal, dan bleef de enkele d. Men denkt aan verwantschap van dodder met on. dŷja “schudden” enz., zie over den wortel dhū̆- bij deuvik en dier. Een andere etymologie: vgl. oi. dúdhita- “dik, stijf”, dudhrá- “stijf, sterk”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dodder v. (deder, huttentut), + Hgd. dotter. Eng. dodder, Zw. dodra, De. dodder = soort van onkruid; wellicht afgel. van dodde of dot, met de bet. van beide.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dodder: pln. (spp. Cuscuta, fam. Convolvulaceae), inheemse en uitheemse soorte, ’n parasiet in lusern e.a. gewasse, ook bek. as duiwels(naai)gare/-garing/duiwelstou/monniksbaard/nooienshaar/perdeslaai/warkruid; kom in vorm en bet. ooreen m. Eng. dodder, maar nie orals m. Ndl. dodder nie wat blb. soms = dotter (q.v.) en toeg. op ander plants.; verb. gesoek m. doo(ie)r, “geel v. eier”, maar onseker; vgl. egter Heuk 81 by spp. Cuscuta volksn. soos doderkruid, duivelsnaaigaren, warkruid.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dodder ‘bloemensoort’ -> Deens dodder ‘bloemensoort’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dodre ‘plantensoort’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut