Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dochter - (vrouwelijke nakomeling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dochter zn. ‘vrouwelijke nakomeling’
Onl. (datief mv.) dohteron [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. dochter ‘vrouwelijk kind’ [1220-40; CG II. Aiol], ‘id.’ [1260; CG I, 73].
Dochter behoort tot de Indo-Europese verwantschapsnamen op -er, zoals → vader en → moeder (maar niet → zuster).
Os. dohtar (> mnd. dochter); ohd. tohter (nhd. Tochter); oe. dōhtar, dōhter (ne. daugther), ofri. dochter; on. dóttir (nzw. dotter); got. dauhtar; < pgm. *duhtar-.
Verwant met Grieks thugátēr, Sanskrit duhitā, Litouws dukte, Oudkerkslavisch došti < pie. *dhugh2-tēr (IEW 277).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dochter* [kind van het vrouwelijk geslacht] {oudnederlands dohter 901-1000, middelnederlands dochter} oudsaksisch dohtar, oudhoogduits tohter, oudnoors dóttir, gotisch dauhtar; buiten het germ. grieks thugatèr, gallisch duxtir, oudkerkslavisch dŭšti, oudindisch duhitar-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dochter znw. v., mnl. dochter, onfrank. dohter, os. dohtar, ohd. tohter, oe. dohtor (ne. daughter), on. dōttir, got. dauhtar. — gr. thugátēr, ai. duhitā, av. dugdar, asl. dŭšti, lit. dukté, toch. B tkācer, A. ckācar.

Terwijl de germ. woorden op een idg. *dhuktēr teruggaan, gaan de idg. op *dhugatēr terug, waarin men de a op een laryngaal heeft willen terugvoeren (H. Hendriksen, Meddelelser 28, 1, Kopenhagen 1941).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dochter znw., mnl. dochter v. = onfr. dohter, ohd. tohter (nhd. tochter), os. dohtar, ofri. dochter, ags. dohtor (eng. daughter), on. dôttir, got. daúhtar v. “dochter”. < idg. *dhug(h)(ə)ter-, waarvan ook gr. thugátēr, obg. dŭšti, lit. duktė̃, arm. dustr, oi. duhitár-, av. dugədar-, dugdar- “id”. Verdere combinaties zijn evenals bij vader, moeder, broeder hoogst onzeker, die met oi. dógdhi “hij melkt” zeer onwaarschijnlijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dochter. Adde: toch. A. ckâcar, toch. B. tkâcer ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dochter v., Mnl. id., Onfra. dohter, Os. dohtar + Ohd. tohtar (Mhd. tohter, Nhd. tochter). Ags. dohtor (Eng. daughter). Ofri. dochter, On. dóttir (Zw. dotter, De. datter), Go. dauhtar + Skr. duhitū, Ze. dugdar, Arm. dustr, Gr. thugátēr, Osl. dŭšti (Cz. dŭšterja, Ru. dočʹ), Lit. duktẽ (ook overgenomen in Lapl. daktar, Finn. tytär): verdere ontleding van het w. is zeer gewaagd, zoo niet onmogelijk. Velen toch verklaren het als melkster of zuigelinge van Idg. wrt. dheu̯ɡh = melken, afgel. van Idg. wrt. dhe = zuigen, waarvan Lat. femina, filius en filia (Fr. femme, fils en fille), d.i. zooveel als zoogster en zuigeling.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dochter (zn.) dochter; Aajdnederlands dohter <901-1000>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dochter ‘kind van het vrouwelijke geslacht’ -> Negerhollands dochter, dogter ‘kind van het vrouwelijke geslacht, volwassen meisje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dochter* kind van het vrouwelijk geslacht 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

556. Eva's dochteren,

dat zijn vrouwen of meisjes; ‘meest met eene bijzondere zinspeling op het denkbeeld, zoo niet van verleidingVgl. Huygens, Hofw. 661: Moer Evas echte kind'ren, stall-lichtjens (dwaallichten) voor de Mans., dan toch van bekoring; ook wel van nieuwsgierigheid’ (Laurillard, 12); vgl. Adams kinderen (mannen). Volgens Harreb. I, 139 a wordt deze naam toegepast op nieuwsgierige meisjes of vrouwen; vgl. Teirl. 412: ge zijt 'n kerieuz' Eva; Tuerlinckx, 179: doe krieuze Eva! In Zuid-Nederland verstaat men onder een Eva ook ‘een verleidend vrouwmensch’ (Schuermans, Bijv. 80 b), terwijl in Noord-Holland en elders een Eva(atje) een morsboezelaartje, een klein schortje is (Boekenoogen, 203); fr. une fille d'Ève; hd. eine Evas (Evens-) tochter, meretrix (Kluge, Studentenspr. 89); eng. a daughter of Eve, an Eve's daughter.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut