Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dito - (hetzelfde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dito bn. ‘hetzelfde’
Vnnl. Ditto (bw.) ‘Idem (in een goederenlijst)’ [1562; De Bruijn-van der Helm 1992], Ditto aen den paep voor dat hij ... ‘Idem (een bedrag) aan de priester omdat hij’ [1590; WNT wijwater], Ditto jacht ‘voornoemd jacht’ [1631-34; WNT]; nnl. ditto ‘hetzelfde’ [1745; Meijer].
Ontleend aan Italiaans ditto ‘eerder genoemd’, een dialectale nevenvorm van het gebruikelijke detto < Latijn dictus ‘gezegd’, het verl.deelw. van dīcere ‘zeggen’, dat verwant is met -tijgen in → aantijgen, en waaruit ook → dichten 2 ‘poëzie schrijven’. De vorm met één -t- staat mogelijk onder invloed van Frans dito ‘reeds genoemd, hetzelfde’ [1723; PRobert], dat dezelfde oorsprong heeft.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dito [evenzo] {ditto 1562} < italiaans ditto, een toscaanse nevenvorm van detto, verl. deelw. van dire [zeggen] < latijn dicere [idem], dus lett. ‘dat wat (al) gezegd is’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dito eerst na Kiliaen, in de 17de eeuw ditto < ital. detto < lat. dictum. Daarnaast invloed van fra. dito, dat reeds in de 13de eeuw voorkomt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dito bnw. Nog niet bij Kil. Via fr. dito uit it. detto, oorspr. “gezegd”. Ook elders ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dito. Wegens 17e-eeuws ditto, dat eerder voorkomt dan fr. dito (sedert 1723), rechtstreeks aan het It. ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1ditto s.nw.
Saak wat reeds genoem is.
Uit Ndl. dito (1668).
Ndl. dito uit Toskaanse dial. ditto 'die genoemde (maand of jaar)' uit It. detto, die verlede dw. van dire 'sê', uit Latyn dicere 'sê', dus lett. 'dit wat al gesê is'. Oorspr. in It. gebruik om die herhaling van maandname in 'n reeks datums te vermy.
Eng. ditto (1625), Port. dito.

2ditto b.nw.
Dieselfde, soos die voorgenoemde.
Uit Ndl. dito (1562). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm dito.
Ndl. dito uit Toskaanse dial. ditto 'die genoemde (maand of jaar)' uit It. detto, die verlede dw. van dire 'sê', uit Latyn dicere 'sê', dus lett. 'dit wat al gesê is'.
D. dito (15de eeu), Eng. ditto (1678), Fr. dito.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dito (Noord-Italiaans dito)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dito ‘evenzo’ -> Indonesisch dito ‘evenzo’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dito evenzo 1562 [De Bruijn Tw. 10] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal