Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

distel - (stekelige plant uit het geslacht Carduus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

distel zn. ‘stekelige plant uit het geslacht Carduus
Mnl. distel, diestel [1226-1250; CG II, Pl.Gloss.]; vnnl. dijstel ‘distel’ [1552; Apherdianus], dijstele ‘distel’ [1562; Kil.].
De herkomst is onduidelijk. Het betekenisveld en de geringe verspreiding zouden kunnen wijzen op een substraatwoord.
Os. thistil; ohd. distil, distila (nhd. Distel); nfri. tiksel; oe. þistel (ne. thistle); on. þistill (nzw. tistel); < pgm. *þīstila- < *þikstila-.
Verband met de wortel pie. *(s)teig- ‘steken, scherp’ (IEW 1016), dus ook met Latijn īn-stīgāre ‘aansporen’, Grieks stízein ‘steken’ en Sanskrit tigmá ‘scherp’, is onzeker.

EWN: distel zn. 'stekelige plant uit het geslacht Carduus' (1226-1250)
ANTEDATERING: distel 'distel' [1240; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

distel* [stekelige plant] {di(e)stel, destel 1201-1250} oudsaksisch thistil, oudhoogduits distil, oudengels þistel, oudnoors þistill; buiten het germ. latijn instigare [aanzetten, prikkelen], grieks stizein [steken, prikken], russisch stegat' [naaien, geselen], oudindisch tejate [hij is scherp] (vgl. steken); de verbindingen buiten het germ. zijn niet zeker, maar wel geloofwaardig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

distel znw. m. v., mnl. distel m. v.? os. thistil m., ohd. distil m. (ook distila v.), oe. ðistel m. (ne. thistle), on. þistill m. Daarnaast vormen met (zeker wel secundaire) lange vocaal: mnl., nnl. dial. diestel, pommers. dīstel. Genoemd naar zijn stekels. — oi. tejas ‘scherpte, snede’, tiktá-, tigmá ‘scherp’ (IEW 1016-7), van de idg. wt. *(s)tig, vgl. steken.

Een andere naam voor de plant is ohd. zeisala v., oe. tæsel m. (ne. teasel) bij tezen. Opmerkelijk is de wisseling van twee gelijkluidende wortels alleen met resp. anlaut þ en t; secundair ontstaan van *þistill onder invloed van þurnu ‘doorn’ (FW 119) is niet waarschijnlijk. Eerder kan men denken aan een overname uit een substraattaal (met verschillende weergave van de beginconsonant), te meer omdat de plantnaam uitsluitend germ. is. — Got. wigadeino zal wel een jonge formatie zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

distel znw., mnl. distel (m.v.?). = ohd. distil m., distila v. (nhd. distel v.), os. thistil m., ags. ðistel m. (eng. thistle), on. þistill m. “distel”. In het Mnl. en nnl. dial. komt ook diestel (dîstel) voor; vgl. pomm. dîstel en equivalenten daarvan in andere ndd. diall.: wellicht met secundaire î. Afkomst onzeker. De afleiding van den wortel (s)ti-, waarbij lat. stilus “scherp voorwerp”, stimulus “prikkel, av. (s)taêra-”bergtop” benevens steken met verwanten behooren (idg. (s)ti-, (s)ti-g-), is hoogst onzeker. Is de þ misschien onder invloed van *þurna-, *þorna- (zie doorn) in de plaats gekomen voor een andere consonant? Dan zouden wij aan verwantschap met ohd. zeisala v., ogs. tæ̂sel m. (eng. teasel) “distel” kunnen denken, dat bij de bij teisteren besproken basis hoort. Nog een derde germ. benaming is got. wigadeino v.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

distel. Adde: owvla. (herb.) distel (Hs. ditel) ‘id.’ — De combinatie met de groep van steken, waarvoor in de laatste tijd gepleit is door Sverdrup IF. 35, 154, Schwabe MLN. 33, 87, verdient meer waardering dan het art. eraan schenkt. Voor de s in germ. *þiχstila- (*þîχstila-?) kan wellicht de es-stam oi. téjas- ‘scherpte, snijvlak’ worden vergeleken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

distel v., Mnl. id., Os. thistil + Ohd. distil (Mhd. en Nhd. distel). Ags. đistel (Eng. thistle), On. þistill (Zw. tistel, De. tidsel): indien uit Ug. *þihstil-, dan bij Idg. *tig-. waarbij ook s-teken behoort.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dissel III: – distel – , alg. ben. v. allerlei stekelrige kruidgewasse, kom o.a. nog voor in seidissel/suidissel (q.v.); Ndl. (Mnl. en dial.) en Hd. distel, Eng. thistle, herk. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Distel (akker), Cirsium arvense
Cirsium: is afgeleid van het Griekse woord kirsion = een distelsoort bij de Grieken. De plant kreeg deze naam omdat ze tegen spataderen = kirsos gebruikt werd.
Arvense: akkerbewonend, de plant groeit (meestal) op akkers, of groeide vroeger vaak op akkers.
Akkerdistel: Akkerdistel dankt haar naam aan het feit dat ze vooral in de akkers staat, zoals ook arvense aangeeft. De naam distel = stekende is van zeer oude oorsprong, mogelijk uit het Indogermaans.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

distel ‘stekelige plant’ -> Negerhollands distel ‘stekelige plant’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

distel* stekelige plant 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1236. Op heete (of gloeiende) kolen zitten (of staan),

d.w.z. ongeduldig, ongedurig zitten (of staan); telkens heen en weer schuiven, als teeken van ongeduld, gewoonlijk wanneer men in afwachting van iets isZie eene voorstelling hiervan bij Breughel no. 47. Seiler, 248 denkt aan de straf van iemand met naakte voeten op gloeiende kolen te zetten, teneinde de waarheid te vernemen.. Vgl. Sartorius IV, 15: haest u niet, ghy sit op gheen heete colen; Hooft, Brieven, 184; 403 en 431; Poirters, Mask. 41; Huygens, Hofw. 609; Paffenr. 197; C. Wildsch. III, 22; Van Effen, Spect. IV, 19; Halma, 280; Sewel, 409; Harreb. I, 430; Antw. Idiot. 1834; Teirl. II, 165; Waasch Idiot. 764 en Joos, 101. Synonieme uitdrukkingen zijn: op destels zitten; op netels zitten (De Bo, 226; 737; Eckart, 485); op heete doornen staan (Rutten, 217 a); op heete steenen gaan (Antw. Idiot. 1177); op een hekel zitten (Antw.); op heet ijzer staan (of zitten) of op 'n heet ijzer staan, buitengewoon ongeduldig zijn, ook in een zeer neteligen toestand verkeeren (Teirl. II, 71); op knipnagels zitten (Harreb. III, LXXXIX a en Molema, 211 a); Villiers, 65. Te vergelijken is eene uitdr. als de grond brandt onder zijne voeten (hd. ihm brennt der Boden unter den Füszen; fr. les pieds lui brûlent), om aan te duiden, dat iemand ergens niet wil blijven, er vandaan wil, of er zich althans niet thuis of op zijn gemak gevoelt (Ndl. Wdb. V, 1093). Vgl. fr. être sur des charbons ardents, des épines, la braise; hd. wie auf (glühenden) Kohlen sitzen (oder stehen); oostfri. hê steid up gleinige kölen; fri. hy sit op hjitte koallen; eng. to be on tenter-hooks, on pins and needles; to be on thorns, on brambles (Prick, 60); to sit on hot plates.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut