distantie (afstand)
M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands
distantie zn. ‘afstand’ Vnnl. O heere ... zo groote distancie is tusschen v ende my ‘O heer ... er is zo'n grote afstand tussen u en mij’ [1577; WNT Aanv.], ses hondert stappen distantie tusschen beyden ‘zes stappen afstand tussen beiden’ [1598; WNT Aanv.], distantie ‘bereik van een stuk geschut’ [1641; WNT Aanv.], ‘afstand waarop een microscoop is ingesteld’ [1674; WNT Aanv.]; nnl. distantie ‘geestelijke en/of maatschappelijke afstand (tussen personen)’ [1732; WNT Aanv.], ‘afstand ten opzichte van feiten, denkbeelden’ [1961; Dale]. Ontleend aan Latijn distantia ‘afstand, verschil’, afleiding van het werkwoord distāre ‘uiteen staan, verwijderd zijn, verschillen’, gevormd uit → dis- ‘uiteen’ en stāre ‘staan’, verwant met → staan. De letterlijke betekenis ‘afstand’ bestaat thans alleen nog in technische toepassingen, zoals distantie ‘geschutsafstand’, ‘objectiefafstand’ etc. ♦ distanciëren ww. ‘afstand houden (van); (zich) onttrekken (aan)’. Nnl. eerst als zn. distantieering ‘het verwijderd zijn, de afstand’ [1932; WNT vitaal], in het verl.deelw. gedistancieerd ‘afstandelijk’ [1934; WNT Aanv.], zich distancieeren van ‘afstand houden van’ [1946; WNT Aanv.], zich distantieeren van ‘zich onttrekken aan’ [1947; WNT Aanv.], afleiding van distantie.
G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch (incl. Supplement uit 2007)
distansie s.nw. Afstand of ruimte tussen twee punte of vlakke. Uit Ndl. distantie (al Mnl.). Ndl. distantie uit Latyn distantia, 'n afleiding met dis- 'apart' van stare 'staan'. D. Distanz (15de eeu), Eng. distance (ongeveer 1290), Fr. distance, It. distanza, Port. distância, Sp. distancia.
Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)
Terug naar lijst
|