Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dissel - (bijl)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dissel 1 zn. ‘bijl’
Vnnl. dissel, dessel, diessel ‘bijl’ [begin 16e eeuw]; diessel, diechsel ‘bijl, houweel’ [1599; Kil.]; nnl. West-Vlaams diesel, dijsel ‘kuiperswerktuig met korte steel’, destel ‘kuiperswerktuig met lange steel’.
Mnd. dēsele, dessel, deissel; ohd. dēhsala, (nhd. dial. Dechsel); on. þexla ‘soort van bijl’ (nzw. dial. täxla); < pgm. *þehsalōn.
Verwant zijn Latijn tēlum ‘werpwapen’ (< *tekslom), Avestisch taša- ‘bijl’, Russisch teslá ‘bijl’, Oudiers tal ‘bijl’ (< *tēkslo-) < pie. *teks-l(e)h2- ‘bijl’ (IEW 1058). Hierbij sluiten aan Latijn texāre ‘weven, timmeren, bouwen’, Grieks téktōn ‘timmerman’, Sanskrit tákṣati ‘behouwen, timmeren’, Oudkerkslavisch tesati ‘houwen’ < pie. *tek- ‘vlechten, gevlochten wanden samenvoegen (bij het bouwen van een huis)’ (IEW 1058), waaruit zich de betekenissen ‘hout bewerken’ en ‘weven’ ontwikkelden, zie → architect, → textiel, → das.
De varianten van dissel met -ie-, -ij- kunnen volgens de klankwetten niet uit *þehsalon worden verklaard; bij deze vormen moeten we invloed van de ie-varianten van → dissel 2 aannemen.
bedisselen ww. (NN) ‘regelen’. Vnnl. beslepen en bedisselt ‘bijgeschaafd en ontdaan van ruwheden’ [ca. 1600; WNT], bedisselen ‘beredderen, regelen’ [1640; WNT]. Afleiding van het zn. dissel, oorspr. dus ‘met de dissel bewerken’: de dissel is een bijl met het gebogen ijzer dwars op de steel, waarmee men naar zich toe slaat, zodat een fijne bewerking mogelijk is.

EWN: dissel 1 zn. 'bijl' (begin 16e eeuw)
ANTEDATERING: mnl. van disselen, van bilen 'over dissels, over bijlen' [1317; iMNW bile III]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dissel1* [bijl] {dissel, dessel, diessel 1501-1550} oudhoogduits dehsala, middelnederduits desele, dessel, oudnoors þexla; buiten het germ. latijn telum [werpspies], oudkerkslavisch tesla [bijl], oudindisch takṣati [hij hakt, timmert], avestisch taša- [bijl] → das2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dissel 1 znw. m. ‘bijl’ (in de algemene taal alleen bewaard in het ww. bedisselen), mnl. nnl. dial. dissel, ohd. dehsala (nhd. dial. dechsel), mnd. dēsele, dessel ‘bijl, houweel’, on. þexla ‘soort van bijl’. — osl. tesla ‘bijl’, oiers tāl (< *tōkslo), lat. tēlum (< *tekslom) ‘werpwapen’ bij het ww. osl. tesati ‘houwen’, lit. tašaũ, tašýti ‘behouwen’, lat. texere ‘weven, vlechten’, oi. takṣati ‘behouwen, timmeren’. — Als idg. grondvorm wordt aangenomen *tekþ ‘vlechten; samen vlechten van een huiswand’ (IEW 1058). — Zie: das.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dissel I (bijl). Nog slechts dial. in gebruik; alg.-ndl. nog het ww. bedisselen, eig. “met de bijl bewerken, met de bijl glad maken”: in de 17. eeuw komt ’t behalve overdr. ook in deze bet. voor. Mnl. nndl. dial. dissel m. = ohd. dëhsala (nhd. dial. dechsel), mnd. dësele, dëssel v. “bijl, houweel”, on. þëxla v. “een soort bijl”. Van den wortel teḱþ- “bewerken, timmeren, hakken” (vgl. bij das I), waarvan ook in andere talen namen van werktuigen: ier. tâl (*tôḱþlo-; ook geheel anders opgevat), russ. teslá, av. taša- “bijl”. De wvla. vorm diesel, dijsel “kuiperswerktuig” (dgl. vormen ook in andere diall.) naast destel “timmermanswerktuig”, Kil. diessel, diechsel “dolabra, ascia, securis” naast dessel, dissel zijn evenmin als nhd. deichsel, mnd. deissel klankwettig uit germ. *þeχs(a)(n)- te verklaren. Wsch. moeten wij aan invloed van dissel II denken. Omgekeerd is door invloed van dissel I op dissel II os. thëssalia v. “disselboom” te verklaren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dissel I (bijl). Waarschijnlijk moeten mnd. desele, dessel opgevat worden als dêsele, dêssel v. (o.?): vgl. het verderop in het art. genoemde mnd. deissel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dissel 1 m. (bijl), Mnl. id. + Ohd. dehsla, (Mhd. dehsel), On. þexla + Av. taša-, Oier. tál, Ru. tesla = bijl, van Germ. wrt. thehs, Idg. wrt. teks = timmeren, bouwen (z. das).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dissel I: soort byl d. kuipers en wamakers gebr.; Ndl. dissel (Mnl. en dial. dissel, by Kil diessel/diechsel/dessel/dissel), dial. Hd. dechsel, misk. invl. v. dissel II, verw. verderop onseker.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut