Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

discipel - (leerling, volgeling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

discipel zn. ‘leerling, volgeling’
Mnl. disciple ‘volgeling van Christus’ [1285; CG II, Rijmb.], daarna ook discipel, descipel ‘leerling’.
Al dan niet via Frans disciple ‘volgeling van Christus, leerling’, eerder deciple [1130-40; Rey] ontleend aan christelijk Latijn discipulus ‘discipel van Jezus’ < klassiek Latijn discipulus ‘leerling’, bij het werkwoord discere ‘leren’, dat misschien is afgeleid van docēre ‘onderwijzen’ (disc- < *di-do-sc-), zie → doceren; zie ook → discipline.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

discipel [leerling] {1285} < frans disciple < latijn discipulus [idem], van discere [onderwezen worden, leren], verwant met doceren, didactisch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

discipel m., gelijk Fr. disciple, uit Lat. discipulum (-us), afgel. van discere uit *di-dc-scere, verwant met docere + Gr. didáskein, d.i. di-dak-skein.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

dissipel s.nw.
Leerling, volgeling (veral van Jesus).
Uit Ndl. discipel (al Mnl.).
Ndl. discipel uit Fr. disciple uit Latyn discipulus 'leerling', met lg. van discere 'onderwys word, leer' of discipere 'begryp, deeglik ontleed', 'n afleiding met dis- 'apart' van capere 'neem'.
Eng. disciple (voor 1100), It. discepolo, Port. discípulo, Sp. discípulo.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Discipel, (lett.) leerling; volgeling, in het bijzonder van Jezus; ook: leerling of aanhanger van een bepaald persoon in het algemeen.

In de evangeliën en in het boek Handelingen van de Apostelen worden de volgelingen van Jezus als discipelen aangeduid, zowel in het algemeen, als ter aanduiding van alleen zijn twaalf leerlingen: 'En Hij riep zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven' (Matteüs 10:1, NBG-vertaling). Al in het Middelnederlands was dit woord ontleend aan Latijn discipulus, waarschijnlijk via Frans disciple. Het woord was en is niet strikt beperkt tot de bijbelse toepassing, maar dat was wel de meest gewone. De NBV gebruikt uitsluitend de term leerling.

Rijmbijbel (1271), v. 22834-36. Dar [in Kapernaüm] ghenas ons here mede. / Bi sire disciple bede. / Pieters suegher van den rede. (Daar genas onze Heer, mede door het gebed van zijn discipelen, Petrus' schoonmoeder van de koorts.)
Statenvertaling (1637), Lucas 14:33. Alsoo dan een yegelick van u, die niet en verlaet alles wat hy heeft, die en kan mijn discipel niet zijn.
Voor de derde keer telde meneer Willems zijn discipelen. Eenendertig had hij er; er moest dus nog maar één koppel binnenkomen. (A. Romijn, Het feest van de zesde, z.j. (1958), p. 121)
Cocteau voerde de knaap op in allerlei mondaine gelegenheden die op dat moment sterk in trek waren: Montmartre, Montparnasse. En de Meester toonde zich erg trots op zijn nieuwe discipel, die in de wandeling 'Monsieur Bébé Cadum' werd genoemd, naar de zeep die de oude en vermoeide wereld een nieuwe glans moest geven. (De Standaard, nov. 1995)
Themaat beschouwt Quinten als zijn discipel, zijn beste leerling, maar als het erop aankomt is het Kuku meer begonnen om de verklaring van zijn visioen. (Mulisch en de wetenschap. Naar aanleiding van De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, 1995, p. 71)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

discipel (Latijn discipulus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

discipel ‘leerling’ -> Indonesisch disipel ‘leerling’; Negerhollands discipel ‘leerling, volgeling’; Papiaments disipel ‘leerling’; Sranantongo disipri ‘leerling van een religie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

discipel leerling 1285 [CG Rijmb.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut