Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dippen - (voorzichtig indopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dippen ww. ‘voorzichtig indopen’
Nnl. dippen ‘even indopen, voorzichtig in (een vloeistof) steken’, in: 'k Treê toe en dip den voet in de aangename plasschen [1829; WNT], dippen ‘voorzichtig of eventjes indopen’ [1925; Dale].
Misschien een door het Engelse werkwoord to dip “indopen, naar beneden duiken” (zie → dopen 1) beïnvloede nieuwvorming uit de pen van Bilderdijk (1756-1831) van wie het citaat in het WNT afkomstig is (Bilderdijk had de Franse tijd in Engeland uitgezeten). Het werkwoord → dopen zal aan zijn associatie ten grondslag gelegen hebben. Lange tijd heeft het woord kennelijk geen grote verspreiding gekend: het verschijnt pas in 1925 in de woordenboeken. Het huidige gebruik hangt sterk met de Engelse betekenis samen, en vooral met de wereldwijde verspreiding van het verschijnsel dipsaus, waarin we onze borrelhapjes kunnen dopen.
Een moderne ontlening aan Engels dip is → dip.
dipsaus ‘saus om hapjes in te dopen’. Nnl. dipsaus [1989; Peptalk].

EWN: dippen ww. 'voorzichtig indopen' (1829)
ANTEDATERING: vnnl. met meny gedipt 'met menie even ingedoopt' [1698; Witgeest, 402]
EWN: ♦ dipsaus 'saus om hapjes in te dopen' (1989)
ANTEDATERING: eerst dip 'saus' in: in een dip verwerken [1960; AHB 8/7]
Later: een speciale dipsaus [1965; AHB 10/12] (EWN: 1989)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dippen* [eventjes indopen] {1829} van dezelfde herkomst als diep, maar met korte klinker en na de Tweede Wereldoorlog zeker ook beïnvloed door engels to dip [indopen] en dip, dipje < engels dip [inzinking].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1dip ww.
In 'n vloeistof indoop of indompel, veral vee in 'n ontsmettingsmiddel of gifstof indompel om parasiete dood te maak.
Uit Eng. dip. Eerste optekening in Afr. by Postma (1896).
D. dippen, Ndl. dippen (1858 - 1860).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

dip: s.nw. en ww., “ruimte waarin vee in vloeistof ondergedompel word; vloeistof vir ontsmetting van vee; die betrokke handeling” (ww.); hoewel die ww. ook in Ndl. (uit Eng.) voorkom, is dit blb. ’n regstreekse ontln. in Afr. uit Eng. dip wat verb. hou m. Eng. deep, Afr. diep en doop, Hd. tief en taufen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dippen* eventjes indopen 1829 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut