Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

diploma - (getuigschrift)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

diploma zn. ‘getuigschrift’
Vnnl. diploma ‘charter, oorkonde waarmee een recht wordt verleend’ in bij patente ofte diploma van een grooten Cham [1656; WNT]; nnl. diploma ‘getuigschrift’ [1815; WNT wettigen].
Ontleend aan Latijn diplōma ‘aanbevelingsbrief, oorkonde, bewijs van burgerrecht’ < Grieks díplōma ‘gevouwen papier’, daarna ‘aanbevelingsbrief, paspoort’, afleiding van het werkwoord diploũn ‘(dubbel)vouwen’, bij het bn. diploũs ‘dubbel’, zie → dubbel.
De jongere betekenis is ontleend aan het Frans, dat deze betekenis van diplôme vanaf 1810 [Rey] kent.

EWN: diploma zn. 'getuigschrift' (1656)
ANTEDATERING: dat sy … een goet "Diploma" ('charter') op het stuck van de Religie becomen hadden [1623; Van Wassenaer 2, 201b]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

diploma [bewijs van slagen voor examen] {1656} < latijn diploma [aanbevelingsbrief, reispas] < grieks diplōma [dubbelgevouwen (van brief), namelijk twee houten wastafeltjes met elk een verzonken waslaag met ingekraste tekst, met de schrijfkant op elkaar geplaatst, zodat de houten achterkanten het schrift beschermden], van diploō [ik vouw dubbel].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

diploma

Er is een Grieks werkwoord diplo-oo, dat: verdubbelen betekent. Daarvan is het woord diploma afgeleid, dat dus eigenlijk wil zeggen: het verdubbelde en in het bijzonder: een officieel stuk, een oorkonde die bestaat uit twee samengevouwen bladen. In het Grieks en het Latijn komen betekenissen voor als: lastbrief, aanbevelingsbrief, vrijgeleide enzovoorts, maar ook reeds die van: brief van de keizer waarin een bepaald voorrecht wordt verleend, patent. Dit is ook de oudste Nederlandse betekenis. Dan gaat het woord betekenen: bewijsstuk van bekwaamheid of bevoegdheid door een examen verworven. Pas in veel later tijd krijgt het de bijbetekenis van: onderscheiding bijv. door een inzending op een tentoonstelling en zelfs die van: lidmaatschapskaart.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

diploma znw. o. < lat. diploma ‘oorkonde’ < gr. díplōma, eig. ‘toegevouwen schrijven’ (bij diploũn ‘dubbel gevouwen’).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

diploma s.nw.
1. Bewys van bevoegdheid of geleerdheid. 2. Bewys van 'n onderskeiding in 'n wedstryd of kompetisie.
Uit Ndl. diploma (1656 in bet. 1, 1815 in bet. 2).
Ndl. diploma uit Latyn diploma 'reispas, aanbevelingsbrief' uit Grieks diploma 'dubbelgevoude (brief)', met lg. van diploun 'dubbel vou' van diplos 'dubbel'. 'n Diploma was oorspr. 'n dubbelgevoude lasbrief sodat die inhoud nie sigbaar kon wees nie. Later het dit verwys na twee wastafeltjies van hout met elk 'n versonke waslaag met teks wat daarop ingekrap is, met die skryfkante op mekaar geplaas sodat die houtagterkante die skrif beskerm het.
D. Diplom (17de eeu), Eng. diploma (ongeveer 1645), Fr. diplôme, It. diploma, Port. diploma, Sp. diploma.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

diploma (Latijn diploma)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

diploma ‘bewijs van slagen voor examen’ -> Indonesisch diploma ‘getuigschrift’; Jakartaans-Maleis diplomè ‘bewijs van slagen voor examen’; Javaans dhiploma ‘bewijs van slagen voor examen; akte’; Menadonees diploma ‘bewijs van slagen voor examen’; Surinaams-Javaans diplomah, dhiplomah ‘bewijs van slagen voor examen, akte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

diploma bewijs van slagen voor examen 1656 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal