Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dip - (inzinking)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dip zn. ‘inzinking’
Nnl. dip ‘plotselinge daling (bijv. in grafiek)’ [1989; Smits/Koenen], ik heb even een dip ‘periode dat het allemaal even iets minder gaat’ [1992; Koenen/Smits], dip van de beurs ‘inzinking in de beurskoersen’ [1993; Reinsma 1999], dip ‘inzinking’ [1999; Dale].
Ontleend aan Engels dip ‘geringe waardedaling’ [19e eeuw; ShOED], eerder ook in andere betekenissen, afgeleid van het werkwoord dip ‘(doen) dalen’, zie → dippen.
Als Nederlandse woord is dip betrekkelijk jong. Eerder bestond de betekenis ‘dipsaus’, nog als (enige) betekenis in Dale 1992.

EWN: dip zn. 'inzinking' (1989)
ANTEDATERING: dat de oren niet meer deugden. Dat in het vermogen een "dip" (een "zak", een ontbrekend stuk capaciteit) moest worden geregistreerd [1975; Leidsch dagblad (Ld) 14/10]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2dip s.nw.
1. Handeling van te dip (1dip). 2. Vloeistof, gewoonlik 'n ontsmettingsmiddel of gifstof, waarmee gedip (1dip) word. 3. Lang, smal gat waarin diere gedip (1dip) word.
In bet. 1 en 2 uit Eng. dip (1599 in bet. 1, 1789 in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) in die vorm diep.
D. Dipp.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dip: s.nw. en ww., “ruimte waarin vee in vloeistof ondergedompel word; vloeistof vir ontsmetting van vee; die betrokke handeling” (ww.); hoewel die ww. ook in Ndl. (uit Eng.) voorkom, is dit blb. ’n regstreekse ontln. in Afr. uit Eng. dip wat verb. hou m. Eng. deep, Afr. diep en doop, Hd. tief en taufen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dip inzinking 1989 [Peptalk] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

dip: in een — zitten, een inzinking meemaken. Ook uit een dip komen, geraken ‘moeilijkheden te boven komen’. Informeel.

Het laatste jaar in Richter zat ik in een dip. (Jan Lenferink in Nieuwe Revu, 02/05/91)
Ze verschijnt maar zelden voor tien uur op het departement, in de middaguren verkeert ze, aldus een in NRC Handelsblad geciteerde informant, wel eens in een ‘geweldige dip’. (HP/De Tijd, 24/04/92)
Wanneer je mensen die in een dip zitten naar Nederland terug laat gaan, wordt het verwerken van trauma’s moeilijker. (Elsevier, 16/01/93)
Een film om met vriend of man heen te gaan als je relatie in een dipje zit. (Viva, 21/02/94)
Maar de wereld is machtig, niemand is ongevoelig voor de wereld en in de zomer van 1994 gebeurde zo het een en ander waardoor mijn weerstand brak en ik in een bedenkelijke dip belandde. (Lévi Weemoedt: Overal wat, 1995)
Ik ben een emotionele speler, die het team kan helpen wanneer het in een dip zit. (Trouw, 21/06/96)
De detailhandel zat even in een dip. (NRC Handelsblad, 09/08/96)
Maar ik heb een periode gehad dat ik in een creatieve dip zat. (HP/De Tijd, 03/01/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut