Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dingen - (trachten te verkrijgen, wedijveren, onderhandelen, afdingen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dingen ww. ‘trachten te verkrijgen, wedijveren, onderhandelen, afdingen’
Mnl. dinghen ‘een rechtszitting houden’ [1281; CG I, 564], ‘pleiten’ [1286-1343; MNW], ‘een bod doen op, willen kopen’ [eind 14e eeuw; MNW], ‘streven’ [ca. 1450; MNW].
Afleiding van het zn.ding. De betekenisontwikkeling zal geweest zijn: ‘een geding/rechtszitting houden’ > ‘pleiten’ > ‘streven/wedijveren’ > ‘onderhandelen/ afdingen’.
Os. thingon ‘een rechtszitting houden’; ohd. thingen, dingan ‘hopen, streven’ (nhd. dingen ‘een rechtszitting houden, afdingen’); ofri. thingia (nfri. tingje); oe. þingian ‘vragen, verlangen’; on. þinga ‘een volksvergadering of rechtszitting houden’ (nzw. tinga ‘bestellen’.
Het werkwoord is oorspr. zwak, maar wordt in de loop van de 16e eeuw sterk, naar analogie van werkwoorden als dwingen, zingen. Na de 17e eeuw komen geen zwakke vormen meer voor, ook niet bij de afgeleide werkwoorden afdingen en → bedingen.
afdingen ww. ‘minder bieden’, oorspr. ‘door dingen (van iemand) verkrijgen’. Mnl. afghedinghet ‘door een rechtszaak ontnomen’ [voor 1413; MNW aendinghen]; nnl. afdingen ‘minder bieden’ [1849; WNT zien], ‘van de waarde afnemen’ [1882; WNT rechtzinnigheid].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dingen* [wedijveren, trachten te krijgen, afdingen] {1201-1250 in de betekenis ‘rechtszitting houden, streven’} van ding; de betekenissen (af)dingen en streven naar zijn ontwikkeld uit die van ‘een geding houden’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dingen ww., mnl. dinghen ‘gerechtszitting houden, bepleiten, een bod doen, os., thingon, ohd. dingōn, ofri. thingia, oe. ðingian, on. þinga ‘een volksvergadering of rechtszitting houden’. Daaruit ontwikkelde zich die van ‘tot een vergelijk komen’ en dan in de taal van de handel ‘een bod doen’, behalve mnl. ook mnd. dingen. — Afgeleid van ding.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ding znw. o., mnl. dinc (gh) o. v. “rechtszitting, rechtszaak, zaak, ding”. = onfr. thing o. “ding”, ohd. dinc (g) o. “(rechts)zitting, ding, zaak” (nhd. ding), os. thing o. “geding, zaak”, ofri. thing o. “rechtszaak, aanklacht, ding”, ags. ðing o. “vergadering, ding” (eng. thing), on. þing o. “gerechtszitting, gerechtsplaats, ding”. Vgl. ook met een s-formans langob. thinx “gerechtelijke toekenning”. Misschien gaan w.- en ngerm. *þiŋʒa- en langob. thinx op oergerm. *þiŋʒiz-, -az- (*þiŋʒ-s-) terug. De oudere bet. van *þiŋʒa(z)- was wsch. “tijd, bijeenkomst op een bepaalden tijd”, vgl. got. þeihs o. “tijd” (wsch. met germ. *þiŋʒa(z)- uit idg. *teŋqos-). Mogelijk, maar onzeker is de afl. van den bij gedijen besproken wortel teŋq-. Obg. tęža “krĩma”, ten onrechte voor verwant met ding gehouden, kan uit ’t Germ. komen of met obg. tęźĭkŭ “zwaar”, tąga “kommer”, lit. tingùs “lui”, on. þungr “zwaar” samenhangen. De oudste germ. bet. van *þiŋʒa(z)- nog in ags. ðing-gemearc o. “het berekenen van den tijd”. — In het Ndl. herinneren geding znw. o. (mnl. ghedinghe o. “geding, overeenkomst”, ohd. gidingi o. “conditie, overeenkomst”, os. githingi o. “voorspraak”, ags. geðing o. “vergadering, overeenkomst”, in sommige talen ook “lot, verwachting”) en het ww. dingen (mnl. dinghen “rechtszitting houden, over en weer praten, bepleiten, een bod doen”, ohd. dingôn (nhd. dingen), os. thingon, ofri. thingia, ags. ðingian, on. þinga “op een vergadering, rechtszitting verhandelen”, in sommige talen ook “tot een vergelijk komen”, mnd. dingen ook reeds “een bod doen”) nog aan de M.E.sche bet. van ding.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dingen ono.w., Mnl. dinghen + Ohd. dingôn, On. þinga. afgel. van ding in de 4e bet.; moest zwak zijn, maar werd sterk naar analogie van zingen e.a.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dingen* trachten te krijgen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut