Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ding - (zaak, voorwerp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ding zn. ‘voorwerp’
Onl. thing (mv.) ‘dingen, voorwerpen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. alle dinc (mv.) ‘alle dingen, alles’ [1200; VMNW], dingen ‘kwesties, aangelegenheden’ [1236; VMNW], dinc ‘eigendom, bezitting’ [1237; VNMW], dinc (mv.) ‘werkzaamheden, bezigheden’ [1300; VMNW], dinc (mv.) ‘rechtszaken’ [1290; MNW], dinc ‘rechtspraak’ [ca. 1350; MNW], te dinghe ‘inde rechtszitting’ [1380-1425; MNW-R]; ook mnl. gedinge ‘rechtsgeding’.
Os. thing ‘geding, zaak’; ohd. thing, ding ‘rechtbank, rechtszaak’ (nhd. Ding ‘zaak, ding’); oe. đing ‘rechtszitting, ding’, (ne. thing), ofri. thing ‘rechtszaak, aanklacht, ding’ (nfri. ding); on. þing ‘gerechtsplaats, rechtszitting, ding’ (nzw. ting); < pgm. *þinga- ‘volksvergadering van alle vrijen’ < *þenga-. Wrsch. staat got. þeihs ‘tijd, bepaald tijdstip’ in verband met pgm. *þinga ‘volksvergadering’ dat oorspr. dus ‘vastgestelde tijd, bepaald tijdstip’ betekend zou hebben (verwant via grammatische wisseling: *þénhaz > *þinhaz > þeihs en *þenhá- > *þinga).
Beide pgm. vormen zouden teruggaan op een pie. wortel *tenk- met de betekenis ‘trekken, spannen’ (ook van ‘tijd’ in de zin van ‘tijdspanne’), zodat de volgende betekenisontwikkeling ontstaat: bepaald tijdstip > (speciale) bijeenkomst op een bepaald tijdstip, ofwel de volksvergadering > volksvergadering (BDE). Algemeen wordt aangenomen dat þing samenhangt met Thingsus, de gelatiniseerde vorm van pgm. *þingsaz, de Frankisch-Saksische god van de volksvergadering en/of de rechtsspraak; zie ook → dinsdag. De mogelijke verdere betekenisontwikkeling van ding is: ‘volksvergadering’ > ‘rechtszitting’ > ‘rechtszaak’ > ‘zaak’ > ‘ding’; een soortgelijke betekenisontwikkeling heeft zich voorgedaan bij het Frans chose ‘zaak, ding’ < middeleeuws Latijn causa ‘aanklacht, misdaad, overeenkomst, handeling, daad, ding’. Volgens NEW komen de begrippen ‘volksvergadering, rechtszitting’ eerder dan de daarvoor vastgestelde tijd, maar wrsch. is got. þeihs ‘tijd, vastgesteld tijdstip’ inderdaad verwant (Kluge).
De wortel pie. *tenk- ‘trekken, spannen’ is een alleen in het Germaans voorkomende uitbreiding met -k van pie. *ten- ‘uitspreiden, trekken, strekken’ (IEW 1067); zie → tenderen, → dun.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ding* [zaak, voorwerp] {oudnederlands thing 901-1000, middelnederlands dinc, ding(e) [gerecht, rechtszaak (geding), zaak in het algemeen]} oudsaksisch, oudfries thing, oudhoogduits dinc, oudengels ðing, oudnoors þing. Dit germ. woord wordt vaak in verband gebracht met gotisch þeihs [tijd], latijn tempus; de oorspr. betekenis zou dan zijn ‘op bepaalde tijd gehouden volksvergadering’. De betekenis ‘voorwerp’ heeft zich ontwikkeld uit die van ‘rechtszaak’ (vgl. zaak). Uit de uitdrukking alle goede dingen bestaan in drieën blijkt het belang van het getal drie in de traditie, maar in het bijzonder in de rechtspraak. Het echte ‘ding’ bv. duurt drie dagen. Bij verkopingen moet driemaal worden geboden (eenmaal, andermaal en derde maal). Bij oproepingen voor het gerecht in zeezaken gold eveneens het driemaal is scheepsrecht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ding znw. o. mnl. dinc o. v. ‘rechtszitting, rechtbank, zaak, ding’, onfrank. thing ‘ding’, os. thing o. ‘geding, zaak’, ohd. dinc o. ‘rechtszitting, ding, zaak’, ofri. thing o. ‘rechtszaak, aanklacht, ding’, oe. ðing o. (ne. thing) ‘gerechtszitting, ding’, on. þing o. ‘gerechtszitting, gerechtsplaats, ding’. Verder nog langob. thinx ‘gerechtelijke toekenning’ en de westgerm. godennaam Mars Thincsus. Met gramm. wiss. got. þeihs ‘tijd’, eig. ‘vastgestelde tijd voor de gerechtszitting’. — Zie: dingen en Dinsdag.

IEW 1067 neemt een idg. wt. *tenk aan, met de betekenis ‘trekken, uitrekken, spannen’ en ‘tijdsduur’. Dit stemt niet met de gegevens overeen: eerst komt het begrip der volksvergadering of gerichtszitting en daarna eerst die van de daarvoor vastgestelde tijd. — Uitgaande van het feit, dat in de Oudgerm. tijd zulk een vergadering met sacrale middelen binnen een bepaalde, daarvoor geheiligde, plaats gehouden werd, heeft J. Trier, Lehm 1951, 17 verband gezocht met woorden, die ‘omheining, omheinde ruimte’ betekenen. Dan vindt hij een uitgangspunt in een woordgroep, waartoe ook dik en got. þāho ‘leem’ behoren, en die dus ontstaan en ontwikkeld is binnen het gebied van de leemtechniek.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] ding. Onwsch. is got. þeihs bij þeihwo v. “donder”, obg. tąčaómbros” gebracht (vgl. du. schauer, dial. = “tijd”).

ding znw. o., mnl. dinc (gh) o. v. “rechtszitting, rechtszaak, zaak, ding”. = onfr. thing o. “ding”, ohd. dinc (g) o. “(rechts)zitting, ding, zaak” (nhd. ding), os. thing o. “geding, zaak”, ofri. thing o. “rechtszaak, aanklacht, ding”, ags. ðing o. “vergadering, ding” (eng. thing), on. þing o. “gerechtszitting, gerechtsplaats, ding”. Vgl. ook met een s-formans langob. thinx “gerechtelijke toekenning”. Misschien gaan w.- en ngerm. *þiŋʒa- en langob. thinx op oergerm. *þiŋʒiz-, -az- (*þiŋʒ-s-) terug. De oudere bet. van *þiŋʒa(z)- was wsch. “tijd, bijeenkomst op een bepaalden tijd”, vgl. got. þeihs o. “tijd” (wsch. met germ. *þiŋʒa(z)- uit idg. *teŋqos-). Mogelijk, maar onzeker is de afl. van den bij gedijen besproken wortel teŋq-. Obg. tęža “krĩma”, ten onrechte voor verwant met ding gehouden, kan uit ’t Germ. komen of met obg. tęźĭkŭ “zwaar”, tąga “kommer”, lit. tingùs “lui”, on. þungr “zwaar” samenhangen. De oudste germ. bet. van *þiŋʒa(z)- nog in ags. ðing-gemearc o. “het berekenen van den tijd”. — In het Ndl. herinneren geding znw. o. (mnl. ghedinghe o. “geding, overeenkomst”, ohd. gidingi o. “conditie, overeenkomst”, os. githingi o. “voorspraak”, ags. geðing o. “vergadering, overeenkomst”, in sommige talen ook “lot, verwachting”) en het ww. dingen (mnl. dinghen “rechtszitting houden, over en weer praten, bepleiten, een bod doen”, ohd. dingôn (nhd. dingen), os. thingon, ofri. thingia, ags. ðingian, on. þinga “op een vergadering, rechtszitting verhandelen”, in sommige talen ook “tot een vergelijk komen”, mnd. dingen ook reeds “een bod doen”) nog aan de M.E.sche bet. van ding.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ding o., Mnl. dinc, Onfra. thing, Os. thing + Ohd. ding (Mhd. dinc, Nhd. ding), Ags. đing (Eng. thing), Ofr. id., On. þing (Zw. en De. ting) = 1. bepaalde tijd voor een vergadering, 2. vergadering, 3. dagvaarding, 4. rechtszaak, 5. zaak, Go þeihs = tijd + Lat. tempus = tijd: Idg. *teŋkos. Het Go. onz. þeihs, het Langob. thinx en het Germ. -Lat. thingsus (z. dinsdag) wijzen er op dat ding oorspr. een s-stam is gelijk tempus.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dink (zn.) ding; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) dink, Aajdnederlands thing <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ding (het, dingens, dinges), ding. Zeer alg. gebr. voor allerlei neutrale concrete en abstracte zaken (a), die men niet nader noemen kan (b), of noemen wil omdat ze meer of minder in de taboesfeer (kunnen) liggen, bijv. sex (c), geld (d), magie (e) e.a. Zie de vb. a: Als ik zelf verdien kan ik alles kopen, allerlei dingens, lippenstift, nagellak () (Doelwijt 1971: 20). Alles. Alles wat ik op deze mooie aarde geschapen heb [zal vernietigd worden], behalve één ding, Noach. Jij en je familie en de schepsels die ik gezegd heb dat mee moeten in de Ark (Helman 1954a: 26). b: In elk geval die avond bij Essed thuis met de Kerngroep, maakten wij hem duidelijk dat dat ding van hem geen nationalisme was, maar - zoals Pero het, tot onze schrik, botweg zei - Esseddisme (Dobru 1969: 61). Wilt U dat ding van die grammatica nog een keer uitleggen? c: ‘Ga je baden*, jo*. Je bent zo slordig als de pest en dan tien mannen op een avond.’ - ‘Het is mijn ding [hier: schaamdeel], buitendien* mag* ik () (Vianen 1972: 111). Emmh baja*, je hoeft niet zo je dinges [hier: borsten] te schudden en je gezicht te draaien of je mij niet ziet (van Mulier 1972: 40). Vanaf die dag was hij Magda en al deze meisjes met iets andere ogen gaan bekijken. Toch kon hij zich niet voorstellen dat hij er eens één voor zou betalen om dat ding [hier: geslachtsgemeenschap] te doen (Dobru 1968c: 55). d: Hier is de was, mevrouw, en Mama laat vragen naar dat ding [hier: achterstallige betaling]. e: Aangezien hij een lijkenwasser* was, kon hij ‘dingen’ zien (Wooding 367). Zie ook: kwaaie dinge(n)s*. - Ook samenst.: Ik wil geen slordigheid in m’n huis, ik houd niet van varkensdingen (Doelwijt 1971: 20). Ik stuur een fles* van dat peperding [hier: hot sauce] (in brief, 1974). Ze vindt het gebruik van neger-engels negerachtig*, goed voor afgoderij-dinges (Pos 1985: 27). - Etym.: Het gebruik onder a kan komen, vooral in spreektaal, doordat men de combinatie van ‘er’ met een voorzetsel niet beheerst. I.p.v. ‘ervan’, ‘ervoor’, ‘ernaast’ e.d. zegt men dan van dat ding, voor dat ding e.d. In S wordt ‘sani’ (ding) op dezelfde manier gebruikt. In AN wordt ‘ding’, vooral op de wijze als onder a en b, ook wel gebruikt, maar veel minder algemeen dan in SN. ‘Dinges’ wordt in AN gezegd als men de eigennaam van een persoon of een zaak- dus (ook) als enkelvoud - niet wil of op dat ogenblik niet kan noemen, maar deze (althans in het eerste geval) wel bekend veronderstelt.
— : kwaaie dinge(n)s (alleen mv.), onheil van magische oorsprong. Meisje* ik kan nie uitleggen, ma’ als ze doodgaat gaan* een heleboel kwaaie dinges gebeuren (Cairo 1976: 20). - Etym.: Lett. vert. van S ‘takroe sani’ (takroe = lelijk, kwaad; sani = dingen). Zie ook: ding*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ding(etje) (je -- doen) (vert. van Engels to do your own thing)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Alle dingen zijn mogelijk voor God, alles is voor God mogelijk, waarbij impliciet geldt, dat dat ook zo is als het naar menselijke berekening onmogelijk is.

De verbindingen die onder ding behandeld worden, vertonen geen samenhang. Ze zijn gebaseerd op oudere vertalingen met alle dingen, waar later alles werd gebruikt. De uitdrukkingen hebben het karakter van een citaat, en zijn vooral in godsdienstige kringen bekend. Dit geldt ook voor de hierboven vermelde uitspraak.
Volgens de evangelisten Matteüs, Marcus en Lucas betoogt Jezus dat rijken wel zeer moeilijk het Koninkrijk Gods zullen binnengaan, omdat hun bezit hun in de weg staat. Zijn gehoor vraagt dan: '"Wie kan er dan nog gered worden?" Jezus zei: "Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God" (Lucas 18:27, NBV).

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 146, 28-29. Den menschen es dit ommogenlec, mar Gode sijn alle dinc mogenlec.
'We moeten het overgeven [te trachten hun zoon naar de kerk te krijgen], Jaap,' zegt zij. 'Hij is een verbondskind, net als de anderen, en bij God zijn alle dingen mogelijk'. (J. van Manen-Pieters, Tuinfluiter-Trilogie, 1984 (1967), p. 102)

Alle dingen zijn geoorloofd of oorbaar, maar niet alle dingen zijn nuttig, wat toegestaan is hoeft men nog niet te doen, aangezien het ook nadelen kan hebben.

Deze uitdrukking berust op een uitspraak van Paulus zoals die verwoord is in de oudere vertalingen van zijn eerste brief aan de Korintiërs: 'Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig' (1 Korintiërs 6:12, NBG-vertaling).Hij wijst erop dat de mens aan van alles gehecht is wat wel toegestaan is, maar wat hem toch van zijn geestelijke vrijheid berooft. In tegenwoordig gebruik is de betekenis algemener, en wil men wijzen op nadelen van iets wat op zichzelf niet verboden is.

Statenvertaling (1637), 1 Korintiërs 6:12. Alle dingen zijn my geoorloft, maer alle dingen en zijn niet oorbaer.
Mag dan alles wat mensen gelukkig maakt? Als ze er anderen geen schade mee berokkenen, waarom niet? Al is niet alles wat toegestaan is ook wenselijk, om maar eens met Paulus te spreken. (NRC, 31-8-1998, p. 7)
Als iemand zou beweren dat hij een helikopter op de Nachtwacht zag ... Zelfs dan heb ik toch het idee dat het eigenlijk zou mogen. Maar om met Paulus te spreken 'Alles is geoorloofd maar niet alles is nuttig.' (NRC, 20-12-1991)

Beproeft of onderzoekt alle dingen en behoudt het goede, onderzoek en probeer alles, maar beoordeel het kritisch en houdt U aan wat de test heeft doorstaan.

Deze wijsheid is eveneens van Paulus afkomstig. 'Doof de Geest niet uit, en veracht de profetieën niet die hij u ingeeft. Onderzoek alles en behoud het goede' (1 Tessalonicenzen 5:19-21, NBV). De ernstige vermaning van Paulus wordt tegenwoordig ook in luchtiger verband geciteerd.

Statenvertaling (1637), 1 Tessalonicenzen 5:21. Beproeft alle dinghen: behoudt het goede.
Zijn tegenvoeter Van Agt zocht in 1981 zijn heil bij de apostel Paulus: 'Onderzoekt alles en behoudt het goede'. (NRC, aug. 1994)
Ga je nu ook nog racen op Zandvoort? Nou ja, onderzoek alles en behoud het goede. (Gehoord, jaren '90)

Alle dingen nieuw maken, alles er als nieuw uit laten zien.

Openbaringen 21 gaat over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Vers 5 luidt in de NBG-vertaling: 'En Hij die op de troon gezeten is, zeide: Zie ik maak alle dingen nieuw.' In literaire teksten worden deze woorden nog wel aangehaald. In het eerste citaat krijgt de ijverig reparerende huisvrouw iets verhevens door de vergelijking.

Statenvertaling (1637), Openbaringen 21:5. Siet, ick make alle dingen nieuw.
Zij [de vrouwen die huishoudelijke tips inzonden naar een oud tijdschrift] vloeien ineen tot een enkele persoon, en zie: zij maakt alle dingen nieuw. En zo goed als nieuw. (N. Matsier, Gesloten huis, 1995 (1994), p. 153)
Wie bij juffrouw Muis sneeuw schreef zag de vlokken eerst donkergrijs aan komen dwarrelen en dan alle dingen nieuw maken met een wit laagje dons. (NRC, 3-12-1999, p. 25)

Wachten op, in afwachting van de dingen die komen zullen of gaan, afwachten, in afwachting van wat verder te gebeuren staat.

Deze uitdrukking is ontleend aan de formulering in de Liesveldtbijbel (1526), waar de evangelist Lucas beschrijft hoe de mensheid in angst en beven op het einde van de wereld zal wachten, of in de woorden van de NBV, hoe 'de mensen onmachtig (worden) van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren' (Lucas 21:26). De Statenvertaling is hier geen doorgeefluik van de Liesveldtvertaling geweest; daarin spreekt men van de bij de mensheid levende 'verwachtinge der dingen, die het aerdtrijck sullen overkomen'. In de recente bronnen gebruikt men gaan in plaats van zullen.

Liesveldtbijbel (1526), Lukas 21:26. Ende die menschen sullen verdwijnen van vreesen ende verwachtinge der dingen die comen sullen over dat geheele artrijke.
Siemens, dat in Krefeld gewoon doorging met de bouw van de wagens, zag zich opgezadeld met een dichtgroeiende fabriekshal en besloot tot vervoer van de nieuwe trams naar Nederland, echter niet naar het GVB, maar naar een grote loods van transporteur Van der Vlist in Moerdijk, waar de trams worden opgesteld in afwachting van de dingen die gaan komen. (http://www.nvbs.com/NieuwsOpderails/2003/NieuwsOpderails-20030101.htm, actief 15-8-2005.)
Hij veranderde van richting en stond even later hijgend bij de bestelwagen. Niemand zei iets. Ademloos wachtten ze op de dingen die komen gingen. (http://www.greetbeukenkamp.nl/index_bestanden/Page636.htm, actief 15-8-2005).

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Van die dingen dus

Cor van der Laak, het typetje van Kees van Kooten dat debuteerde in oktober 1978, kon over van alles en nog wat uit zijn dak gaan. Hij hield dan een donderpreek die steevast eindigde met de woorden: ‘Van die dingen dus, van die dingen’. Het zijn woorden die je nog overal tegenkomt: in de spreektaal, in kranten en tijdschriften en in de Tweede Kamer. Dat men Cor van der Laak aanhaalt blijkt onder meer uit de plaats in het betoog: meestal wordt van die dingen dus gebruikt om een redenering of een onderdeel van een betoog af te sluiten. Of de uitdrukking volgt op iets dat men onrechtmatig, ergerlijk of tamelijk onzinnig vindt. Zo schreef het Brabants Dagblad in 1997:

Terwijl verlichting in winkels toch Regel I is. ‘Donkere hoeken leveren minder omzet.’ Van die dingen dus. Daar kan Nuijten uren over filosoferen.

En Jan Marijnissen, de voorman van de Socialistische Partij, zei in datzelfde jaar tijdens een debat over een wetsvoorstel over arbeidsbemiddeling:

In het werkgeversblad Forum [...] wordt een korte uiteenzetting gegeven voor de lezers, werkgevers, van de komende veranderingen. Laat in dat artikel nu juist alleen maar staan op welke manier en hoe lang arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd blijven bestaan. Van die dingen dus!

De uitdrukking wordt bijna altijd in de vaste vorm van die dingen dus gebruikt. Een fraaie uitzondering op die regel stond in 1995 in Trouw, in een artikel van Nico van Rossen. Hij schreef: ‘Daarop zwijgen de deelnemers. Aha, nu zijn we nog even ver. Van die dingen dus, die voorbijgaan.’ Hier lopen de woorden van Cor van der Laak naadloos over in een boektitel van Louis Couperus, namelijk: Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan...

Overigens is van die dingen dus nergens zo vaak te lezen als in het tijdschrift Opzij. Dat komt omdat het al jaren de titel is van een column van hoofdredactrice Cisca Dresselhuys. Hiermee omarmt een tijdschrift dat zich een ‘feministisch maandblad’ noemt een gevleugeld woord van een van de meest vrouwonvriendelijke typetjes die Kees van Kooten ooit heeft gespeeld.

Zie ook Cor van der Laak; en wel hierom en hou je d’r buiten Cock.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ding (gericht) van ’t Idg. tenkós = termijn; het woord ziet dus oorspr. op den vastgestelden tijd, waarop de rechtszittingen werden gehouden; later verkreeg het de bet. van de rechtszittingen zelf en ook van het verhandelde: een ding, een zaak. – Het werkw. dingen was dus „rechtspraak houden”, en verder ook: „een verdrag of overeenkomst sluiten” (als ’t ware voor ’t ding, d.w.z. met rechtskracht), vandaar nog ons: bedingen.
Voor dading, z. d. w.; hiervan is verdedigen afgeleid, n.1. verdadingen, d.i. voor het gerecht iemands zaak bepleiten. Zie ook Dinsdag.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ding ‘zaak, voorwerp’ -> Zuid-Afrikaans-Engels ding ‘zaak, voorwerp’ ; Berbice-Nederlands dinggi ‘zaak, voorwerp’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Dat zijn leuke ding’n voor de mens’n [uitspraak] (1971). In zijn onemanshow Noord-West gebruikt de cabaretier Paul van Vliet (1935) in een sketch de zin ‘Dat zijn leuke ding’n voor de mens’n’. Het wordt een gevleugelde uitspraak.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ding* zaak, voorwerp 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

ding: zijn — doen (← Eng. to do one’s own thing), doen waar men zin in heeft, waar men goed in is; zijn eigen verlangens volgen; zich uitleven. ‘Ding’ staat hier voor iemands favoriete bezigheid, liefhebberij of ambitie. Deze informele uitdrukking werd begin jaren tachtig vooral populair gemaakt door Hennie Vrienten van de voormalige popgroep Doe Maar. Ooit verklaarde hij tegenover de pers: ‘Ik zing en ik spring en ik doe gewoon mijn ding.’ Mogelijk had hij de uitdrukking uit het Engels opgevangen en deze letterlijk naar het Nederlands vertaald.

Het gebeurt maar eens om de zoveel jaren dat Sun Ra nog eens naar hier afzakt, en het is dan nog uitzonderlijk dat deze hogepriester in Gent zijn ‘ding’ komt doen. (De Morgen, 08/11/85)
Ik benijd hen, ze hoeven volstrekt niets te bewijzen en nemen blijkbaar vrede met hun bestaan. Ze doen hun ding, doen het goed en trekken weer huiswaarts. (Humo, 05/06/86)
The Romans doen hun ding, zelfs als dat met een cover van Lennon-McCartney moet gebeuren. (Backstage, oktober 1987)
Van Zandt maakte zich er niet druk over. Hij deed zijn ding en deelde en passant nog gul de speciale T-shirts uit waarvan de organisatie een doos vol in elke kleedkamer had laten deponeren. (Nieuwe Revu, 26/04/90)
Maar de jeugd heeft geen brandende ambitie om die fouten te maken waaraan de ouderen zich puur omwille van de macht bezondigden. Adelmunds oproep aan de ‘Niet Nixers’ om, nu zij hun ding gedaan hebben, actief te worden op afdelingsniveau, is aan de nieuwe PvdA’ers niet besteed. (Elsevier, 07/12/96)
Iedereen doet ‘zijn ding’ en wenst door niemand te worden gedwarsboomd. (HP/De Tijd, 14/02/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

31. Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een leelijk ding.

d.w.z. ‘fraaie kleederen en sieraden kunnen een leelijk mensch niet bevallig maken, of: pracht en praal verheffen niemand tot den beschaafden stand’; Ndl. Wdb. I, 527. De zegswijze is eene navolging van het lat. simia est simia et si aurea gestet insignia. Bij Servilius, 78 lezen wij Een simme blyft altyd een simme; Spieghel, 288: Een aap is een aap, al droeghze een goude huif (zoo ook bij Cats, 424); De Brune, 240:

 Een simm' in 't purper blijft een simm,
 Ghelijck zy was, zoo blift-ze slim'.

Tuinman I, 89: Een aap blyft een aap, al droeg hy een gouden ring. Het naast aan onzen vorm komt Sewel, 20: Al draagt een aap een gouden ring, 't is evenwel een leelyk ding.

In het Nederduitsch luidt de spreekw.: 'n Ape is un blift 'n Ape, un dröge he auk sidene Schlîpklêer un goldene Kîen un Spangen (zie Eckart, 7); in het Friesch: in aep bliuwt in aep al het er in rôk oan en in prûk op; zie W. Dijkstra, 279 en vgl. Harreb. I, 3 b; III, 100; hd. Affen bleiben Affen, wenn man sie auch in Seide, Sammet und Scharlach kleidet; eng. an ape 's an ape, a varlet 's a varlet, tho' they be clad in silk or scarlet; fr. le singe est-il vêtu de pourpre, est toujours singe.

490. Alle goede dingen bestaan in drieën.

Prof. Fockema Andreae deelt, naar aanleiding van dit gezegde in de Mededeelingen van de Maatschappij der Nederl. Ltk. 1897-98, bl. 117 het volgende mede: ‘Het getal drie speelt, het is bekend, in de oude zeden een groote rolVgl. Grimm, Rechtsalterth.4, I, 286-287, maar allicht zou de algemeene uitspraak niet zoo absoluut voortleven in den volksmond, als zij niet als rechtsregel van groote beteekenis was geweest. Er zijn 3 dingen (d.i. gewone terechtzittingen), 3 gemeene waarheden, 3 ommegangen. Het echte ding duurt 3 dagen. Eerst driemalig verstek heeft volledig gevolg. Wie zijne macht over eene onroerende zaak uiterlijk wil vertoonen, moet die 3 dagen bezitten, en er 3 gasten ontvangen. Een pand mag eerst aan den pandhouder in eigendom worden toegewezen, als het 3 maal ter lossing geboden is. Is er gepand aan iemands poortrecht, dan moet hij 3 maal om den blauwen steen worden geleid alvorens te worden ontpoorterd. Wie hapert of stamelt bij het doen van den eed, wordt geacht dien niet gedaan te hebben. In gewichtige zaken mag hij echter den eed driemaal beproeven. Bij verkoop moet men somtijds de zaak driemaal bieden, uitroepen (om tot verzet gelegenheid te geven). Vandaar ongetwijfeld nog eens ‘eenmaal, andermaal, ten derden en laatsten maal’. Waar het oproeping ter terechtzitting geldt, wordt hier en daar o.a. in zeezaken aan de drie ten overvloede, om de maat vol te meten, nog een vierde toegevoegd. Ook dit gebruik schijnt nu nog in den volksmond bewaard, maar in den vorm, dien ik niet volkomen kan verklaren, nl. in dezen: ‘driemaal is scheepsrecht, en éen voor den knecht’; vgl. fri. trije is skippers-rjucht en ien for de feint (d.i. drie is schippersrecht en éen voor den knechtVolgens het Fri. Wdb. III, 316 mocht vroeger, toen ook van uit Holland komende tabak in Friesland belasting werd geheven, ieder schipper voor eigen gebruik drie pond aan boord hebben en één voor den knecht. Deze vier pond was vrij. - Prof. Fockema Andreae schreef aangaande deze zegswijze: ‘Zooals bekend is, was driemaal in vele opzichten recht, waarbij evenwel vaak ex superabundantia een vierde kwam. Daar nu ook op zee driemaal in vele gevallen recht was (o.a. was de schipper verplicht drie maaltijden aan de schiplieden te geven), werd eene onbetamelijkheid onder het schaften gestraft met drie slagen met de gortspaan, wordt driemaal hoera geroepen, en wordt een lijk met een éen-twee-drie, in Gods naam over boord gezet, kan men gedacht hebben, dan moet bij die driemaal, die scheepsrecht zijn, ook een vierde, die men dan in scherts en onnadenkend iets voor den knecht heeft genoemd. Op eene dergelijke wijze kan dit achtervoegsel zijn ontstaan, toen men den eigenlijken zin der zegswijze niet meer begreep’. Ook in het Nederduitsch is eene dergelijke zegswijze bekend, o.a. bij Reuter, 98: dreimal is recht, dat virte Mal en Schinnerknecht (schinderknecht); zie ook Frischbier, II, 2144.). Zie ook Boefje, 146: Hij nam er nog maar eentje voor 't sjegrijn, en 'n slaapmussie, en eentje omdat driemaal scheepsrecht is; Molema, 366 b: 't Darde moal is schippersrecht; Eckart, 85: drêmael is Bûrrecht; Dirksen, II, 20: dremâl is ôstfrese recht; Wander I, 695; Ons Volksleven VIII, 229 en Antw. Idiot. 378: alle goede dingen bestaan in drij; fr. le troisième coup fait feu; hd. aller guten Dinge sind drei; eng. the third time is lucky; third time is catching time.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut